Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht verstand der wet, maar zoodanige bedoeling kan nooit gelden als wet in strijd met de woorden, waarvan de wetgever zich heeft bediend om zijn wil uit te drukken.

Deze beginselen, in de artt. 932 en 933 B. W. uitdrukkelijk gehuldigd voor de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen en mede in de artt. 1378 en 1379 voor de uitlegging van overeenkomsten, die ingevolge art. 1374 partijen „tot wet" strekken, gelden uit den aard der zaak eveneens voor de uitlegging der wet en van alle wettelijke vorderingen.

De Officier van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Heerenveen is requirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank, recht doende in hooger beroep, van 28 Juni 1900, waarbij de gerequireerde M. A. G., met vernietiging van het in zijne zaak in eersten aanleg gewezen vonnis van den kantonrechter te Heerenveen van 11 Mei 1900 wegens gebrek in den vorm, is ontslagen van alle rechtsvervolging.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending door niet-toepassing van art. 16 in verband met art. 1 van het Reglement op de keuring van dekhengsten in de provincie Friesland van 14 Juli 1897, goedgekeurd bij K. B. van 3 Sept. 1897 (Prov. Blad van Friesland van 1897, n°. 97);

Overwegende, dat bij het bestreden vonnis naar aanleiding van de oorspronkelijke dagvaarding en het onderzoek ter terechtzitting bewezen is verklaard: „dat de beklaagde (gereq.) in den morgen van 10 Maart 1900 in Weststellingwerf onder Oldeholtwolde, als eigenaar, tevens houder van den hengst „Frans", dien hengst tot dekking van eene merrie, toebehoorende aan A. H., heeft gebezigd, terwijl genoemde hengst alstoen niet overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de keuring van dekhengsten in de provincie Friesland tot het dekken van merriën was toegelaten, alsmede zijne schuld daaraan";

O. dat de req., van oordeel, dat door dit feit was overtreden art. 16 van het hierboven vermeld Reglement, heeft gevorderd dat de Rechtbank den gerequireerde te dier zake zoude veroordeelen tot de in hetzelfde artikel op die overtreding gestelde straf;

O. dat, terwijl art. 1 van het Reglement in zijn eerste lid verbiedt: „in de provincie Friesland andere hengsten tot het dekken van merriën te bezigen, dan die, welke, met inachtneming van de voorschriften van dit Reglement zijn toegelaten", en in zijn tweede lid dit verbod niet van toepassing verklaart: „indien de hengst en de merrie aan denzelfden eigenaar toebehooren", art. 16 woordelijk luidt als volgt:

„De eigenaar of houder van één of meer hengsten, die deze tot dekking van merriën bezigt en in het openbaar tot dekking aanbeveelt, tijdens dat zij niet overeenkomstig de bepalingen van het Reglement daartoe