Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ééne uitlegging toelaat, n.1. deze, dat het strafbaar stelt als ééne overtreding het bezigen van één of meer niet met goed gevolg gekeurde hengsten tot het dekken van merriën en het in het openbaar tot dekking aanbevelen van deze, zoodat, waar alleen het eerste, niet het laatste bewezen is, het artikel niet is overtreden;

dat de req. ten onrechte beweert, dat deze uitlegging alleen juist zoude Zijn, indien in het artikel naast het woord „en" ware gevoegd het woord „tevens", daar laatstgemeld woord in het hier aanwezige zinverband overbodig zoude zijn geweest en bovendien in den wetstijl ongebruikelijk is;

O. eindelijk, dat de bij het middel verdedigde uitlegging van art. 16 ook niet volgt, zooals de req. beweert, uit het verband van dit artikel met art. 1 van het Reglement, omdat art. 1 alleen uitspreekt het verbod om niet met inachtneming der reglementaire voorschriften toegelaten hengsten tot dekking van aan anderen toebehoorende merriën te bezigen, maar de vraag onder welke voorwaarden de overtreding van dit verbod strafbaar is, uitsluitend haar antwoord vindt in art. 16;

O. mitsdien, dat het middel van cassatie is onaannemelijk;

Verwerpt het beroep.

W. 7525.

11 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 19 Juni 1893.

Art. 1 al. 2 W. v. Str.

Art. 1 al. 2 W. v. S. is niet toepasselijk ingeval van intrekking of wijziging van voorschriften uit kracht en tot uitvoering der wet gegeven, zoo het verbod van overtreding van zoodanige voorschriften en de strafbepaling daartegen tijdens de terechtstelling van den beklaagde nog onveranderd gelden.

De officier van justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden is requirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank van 18 Maart 1893, waarbij in hooger beroep, met gedeeltelijke vernietiging van een vonnis van den kantonrechter te Leeuwarden van 31 Jan. te voren, A. T. is schuldig verklaard aan overtreding van een algemeen voorschrift van politie krachtens de Gemeentewet in buitengewone omstandigheden door den Burgemeester uitgevaardigd en afgekondigd, en te dier zake met toepassing van art. 443 Strafrecht en 215 en 256 Strafvord. veroordeeld.

De adv.-gen. Patijn heeft de volgende conclusie genomen:

Edele Hoog Achtbare Heerenl Het Openb. Min. bij de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden heeft