Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schrift en ging het systeem van den heer req. op, dan zou, zelfs indien nog wellicht in eersten aanleg art. 443 Strafrecht had kunnen zijn toegepast, het den veroordeelde gemakkelijk vallen zich door gebruikmaking van het middel van appèl straffeloosheid te verzekeren.

Het zal wel onnoodig zijn uwen Raad te wijzen op de gevolgen die uit die opvatting zouden voortvloeien, of zou het wenschelijker zijn, dat zeer zeker in strijd met de bedoeling van den gemeente-wetgever, dergelijke buitengewone Politie voorschriften bleven bestaan, tot dat dan zij die zich in den beginne aan overtreding daarvan hadden schuldig gemaakt, zouden kunnen zijn veroordeeld?

Dit heeft de wetgever zeer stellig niet gewild en is ook niet de bedoeling van al. 2 van art. 1 Strafrecht, waar van „verandering van wetgeving" wordt gesproken.

Men zie slechts de Memorie van Toelichting op dit artikel bij Smidt I, bl. 109: „Verandering van Wetgeving. Daaronder is niet te verstaan de intrekking van uit hunnen aard bloot tijdelijke voorschriften uit kracht en tot uitvoering der wet gegeven, zoo de strafbepaling tegen de overtreding van zoodanige voorschriften tijdens de terechtstelling van den bekl. in eerste of hooger instantie nog onveranderd geldt."

Was nu niet in casa de door den Burgemeester van Leeuwarden uitgevaardigde verordening een bloot tijdelijk voorschrift uit kracht en ter uitvoering van art. 187 Gemeentewet gegeven en gold niet tijdens de terechtstelling van bekl. zoowel in eerste als in hooger instantie de strafbepaling van art. 443 Strafrecht?

Steller der memorie onderscheidt tusschen de gevallen, waarin de bij de wet aangewezen machten handelen ter uitvoering der wet, (b. v. wanneer Gedep. Staten de opening en sluiting der jacht bepalen) en die waarin zij zelfstandig als wetgever optreden — maar die onderscheiding is m.i. geheel willekeurig en zij wordt zoo stellig mogelijk door de Memorie van Toelichting op art. 1 gewraakt.

Steller der memorie geeft zelf toe, dat het onderhavig geval overeenkomst heeft met het door de Regeering genoemde geval van overtreding van de voorschriften in art. 100 Strafrecht genoemd, waar ook de Regeering als wetgever optreedt en toch de Mem. v. Toel. zegt het uitdrukkelijk „blijft overtreding dier voorschriften strafbaar ook nadat deze met het dreigend oorlogsgevaar zijn vervallen".

De fout der redeneering ligt m.i. hierin, dat de heer req. niet aanneemt de m. i. zeer juiste onderscheiding door Mr. van Hamel (Inleid, tot de studie van het Ned. Wetb. van Strafr. He stuk, bl. 134) gemaakt, waar hij er op wijst dat „verandering van wetgeving d. i. strafwetgeving (en hierop komt het aan) plaats grijpt wanneer de strafbedreiging in haar lot al dan niet het verbods- of gebodsvoorschrift, de norm medeslepend — afgeschaft of vervangen wordt of door verloop van den haar gestelden termijn haar kracht verliest. Doch niet, wanneer zoodanig lot