Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen het gebods- of verbodsvoorschrift de norm treft, doch de strafbepaling blijft,"

Men zie verder de aldaar en ook in de memorie zelve genoemde schrijvers, die alle eene van het gevoelen van den heer req. afwijkende leer huldigen.

Ten slotte verwijs ik naar het verhandelde in de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij de behandeling van art. 10 no. 26 der invoeringswet, toen een amendement door de Commissie van Rapporteurs voorgesteld door de Regeering werd overgenomen, na de volgende, door het lid dier commissie Mr. v. Houten, gegeven toelichting: „Art. 1 van het strafwetboek zegt, dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip, waarop het feit begaan is, de voor den verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast: maar de commissie is van oordeel, dat wanneer eene verbodsbepaling, die tijdelijk is gegeven, afloopt, daardoor geen verandering in de wetgeving ontstaat en dus tegen eene toepasselijkheid van art. 1 met het gevreesde absurde gevolg, volstrekt niet door eene bijzondere bepaling behoeft te worden gewaakt." (Smidt V bi. 354).

Ik vertrouw hiermede voldoende te hebben gemotiveerd mijne conclusie, daartoe strekkende, dat de Hooge Raad het ingesteld beroep zal verwerpen; de kosten daarvan te dragen door den Staat.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende, dat het voorgestelde middel van cassatie berust op de stelling dat door de intrekking van de bedoelde verordening, vóór dat de gereq. wegens overtreding daarvan terecht stond, eene verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan was, als bedoeld in het 2e lid van art, 1 Strafrecht had plaats gehad, en dat mitsdien op grond van het aldaar uitgesproken beginsel, dat in zoodanig geval de voor den verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast, de gerequireerde als zijnde het door hem gepleegde feit, toen hij terecht stond, niet meer strafbaar, had moeten worden ontslagen van rechtsvervolging;

O. dienaangaande, dat in het aangehaald 2e lid van art, 1 Strafrecht slechts sprake is van verandering in de wetgeving, dat is in de bij de wet of wettelijke verordening vastgestelde verbods- of gebodsvoorschriften en strafbepalingen, doch dat daaronder niet is te verstaan de intrekking of wijziging van voorschriften uit kracht en tot uitvoering der wet gegeven, zoo het verbod van overtreding van zoodanige voorschriften en de strafbepaling daartegen tijdens de terechtstelling van den beklaagde nog onveranderd gelden;

O. dat zoowel het verbod van overtreding van een door den Burgemeester krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden uitgevaardigd en afgekondigd algemeen voorschrift van politie als de tegen overtreding van dat verbod gestelde strafbepaling in art. 443 Strafrecht onveranderd zijn gebleven;