Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. dat, al mocht met den req. kunnen worden aangenomen, dat de Burgemeester bij het uitvaardigen van de in art. 443 bedoelde algemeene voorschriften van politie optreedt als plaatselijke wetgever, en dat dusdanig door hem uitgevaardigd voorschrift niet is een voorschrift tot uitvoering van eene wet doch inderdaad eene plaatselijke verordening, daaruit niet zou volgen dat de intrekking van dusdanig voorschrift zoude zijn eene „verandering in de wetgeving", als bedoeld in het 2e lid van art. 1 Strafrecht, en dat het aldaar uitgesproken beginsel, in verband met art. 91 van hetzelfde wetboek, in deze van toepassing zoude zijn;

O. toch, dat, welke de aard moge zijn van de in art, 443 Strafrecht bedoelde, door den Burgemeester uitgevaardigde algemeene voorschriften van politie, bet verbod van art. 443 van overtreding van dusdanig voorschrift is blijven bestaan, ook al is het door den Burgemeester uitgevaardigd voorschrift vóór de berechting van de overtreding daarvan ingetrokken, nog daargelaten de onaannemelijkheid, dat bij het, met het oog op art. 187 der Gemeentewet geschreven, art, 443 Strafrecht straf Zou gesteld zijn op de vroeger straffelooze overtreding van voorschriften, welke uit hunnen aard en wegens de omstandigheden, waarin zij worden gegeven, een zeer kortstondig bestaan hebben, wanneer de wetgever het vervallen zijn van die voorschriften tijdens de vervolging van de overtredingen daarvan als „verandering in de wetgeving" en derhalve als grond van straffeloosheid had beschouwd;,

O. dat mitsdien het voorgestelde middel van cassatie is ongegrond;

Gezien art. 370 Strafvord.;

Verwerpt het beroep, de kosten daarop gevallen te dragen door den Staat.

W. 6375.

12 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 3 December 1906.

Art 1 W. v. Str.

„Verandering in de wetgeving" duidt niet alleen op verandering in den tekst der strafwet.

De Proc.-Gen. bij het Gerechtshof te Arnhem is requirant van cassatie van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 Juni 1906, waarbij voornoemd Gerechtshof — recht doende krachtens verwijzing door den Hoogen Raad bij arrest van 17 April 1906 op het verzet van de gerequireerde J. M. H. F., huisvrouw van W. R., tegen een bij ver-