Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 Sept. 1905, bij hetwelk zij is verklaard niet-ontvankelijk in het door haar ingesteld hooger beroep tegen een vonnis van de Arr.-Rechtbank te Roermond van 21 Juli te voren, voor zoover zij daarbij van een deel der aanklacht is vrijgesproken, dat vonnis is vernietigd en gerequireerde is schuldig verklaard aan „koppelarij" en te dier zake, met toepassing van art. 250 aanhef en 2°. Strafr., veroordeeld, — heeft bekrachtigd voormeld bij verstek gewezen arrest, voor zoover betreft de daarbij uitgesproken vernietiging van voormeld vonnis der Rechtbank te Roermond, de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van de gerequireerde in het hooger beroep en hare gedeeltelijke vrijspraak, doch vernietigd voor het overige gedeelte met ontslag van rechtsvervolging van de gerequireerde ter zake van de door het Hof bewezen verklaarde feiten en vrijspraak van de feiten, welke niet bewezen zijn verklaard.

De adv.-gen. Noyon heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Ten laste van de gerequireerde is door het Gerechtshof te Arnhem bewezen verklaard, dat zij uit winstbejag het plegen van ontucht door eene minderjarige bevorderd heeft in 1904, toen de persoon tegen wie het misdrijf gepleegd werd 21 jaar oud was.

Daar inmiddels de wet van 6 Febr. 1901, Stbl. 62, in werking is getreden, en deze in art. VIII het tijdstip van het bereiken der meerderjarigheid heeft teruggebracht tot den dag waarop iemand 21 jaar oud wordt, heeft het Hof zich de vraag gesteld, of vermits dientengevolge het feit thans niet meer strafbaar zou zijn, aan het tweede lid van art. 1 Strafr. toepassing moet worden gegeven, en die vraag bevestigend beantwoord.

Van daar beroep in cassatie, waarbij als middel is voorgesteld: Schending van art. 250 aanhef en sub 2°. Strafr. door niet-toepassing, en van art. 1 al. 2 Strafr. door verkeerde toepassing.

Het geldt hier de vraag of onder verandering in de wetgeving in art. 1 Strafr. uitsluitend verstaan wordt verandering in den tekst der strafwet, met uitsluiting van zoodanige verandering in andere wetten, die aan de strafwet eene gewijzigde toepasselijkheid geeft.

De requirant van cassatie, de Procureur-Generaal te Arnhem, zich aansluitende bij zijnen ambtgenoot te 's-Hertogenbosch in het betoog, door dezen neergelegd in eene memorie, in eene vroegere fase van dit geding ingediend, is van oordeel dat art. 1, tweede lid, hier niet van toepassing is daar de norm en de strafbepaling niet zijn gewijzigd.

Inderdaad is art. 250 Strafr. in zijnen tekst niet veranderd; thans Zoowel als voorheen is strafbaar het bevorderen van ontucht door minderjarigen. Alleen het begrip minderjarige is veranderd; maar daardoor heeft toch ook het woord in art. 250 eene andere beteekenis gekregen,