Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en is de norm, hoewel in woorden gelijk gebleven, in wezen eene andere geworden.

Stel nu dat de wetgever van 1881, die het bevorderen van ontucht door minderjarigen strafbaar wilde stellen, niet van minderjarigen, maar van ongehuwde en niet meerderjarig verklaarde personen beneden 23 jaar had gesproken, dan had bij verplaatsing van de meerderjarigheidsgrens in art. 250 drie en twintig in een en twintig veranderd moeten worden, opdat ook in het vervolg het doel der strafbepaling zou kunnen worden bereikt. Dan zou dus in 1901 de tekst van het artikel veranderd, de omschrijving van het misdrijf gewijzigd zijn.

In dat gevat zou men dus moeten toegeven dat er wegens aantasting der norm verandering in de wetgeving was gekomen.

Maar heeft de wetgever dan nu in het wezen der zaak iets anders gedaan ? Bij de bestaande redactie van art. 250 was tekstwijziging niet noodig, maar het resultaat der wijziging van het Burgerlijk Wetboek is voor de omschrijving van het misdrijf volkomen hetzelfde. Waarom dan onderscheid gemaakt?

De fout ligt dunkt mij in de te enge beteekenis, aan norm toegekend.

De norm is de grondregel aan welks toepasselijkheid op een concreet geval strafbaarheid is verbonden. Die grondregel kan berusten op de combinatie van onderscheidene bepalingen die gezamenlijk strekken om het rechtsbegrip vast te stellen. In welke wet nu de tot het onderkennen der norm noodige bepalingen gevonden worden kan niet afdoen; elke onderscheiding daaromtrent is willekeurig. De strafwet bevat eene menigte bepalingen welker uitlegging samenhangt met begrippen in het burgerlijk recht vastgesteld; wijziging van die begrippen brengt dus wijziging van de beteekenis der strafrechtelijke bepalingen, van de norm, mede.

De norm alleen in het artikel der Strafwet te willen vinden, zou zijn het doen afhangen van de beantwoording eener principieele vraag van eene geheel toevallige, met geen enkel beginsel in verband staande, redactie van dat artikel.

De norm der strafbepaling van art. 250 wordt alzoo vastgesteld door den inhoud van dit artikel en het dien inhoud voor het begrip minderjarigheid bepalende art. 385 B. W..

Vermits dan nu vaststaat dat er in casu is gekomen verandering in de wetgeving en dat die verandering medebrengt dat de strafwet thans in factis gunstigere bepalingen voor de verdachte bevat, moeten deze op de gerequireerde worden toegepast en is zij terecht ontslagen van rechtsvervolging, zoodat ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, door den requirant voorgesteld bij memorie: