Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleven, maar het strafbare feit, hoewel geheel gelijksoortig aan het vroegere, is een ander.

Ik acht het middel alzoo ongegrond en veroorloof mij ten overvloede nog te verwijzen naar mijne conclusie voorafgaande aan Uw arrest van 3 April 1916, W. 9922.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie door den requirant voorgesteld bij memorie: zie conclusie adv.-gen.;

Overwegende, dat aan den gerequireerde bij inleidende dagvaarding was te laste gelegd, dat hij te Amsterdam, op 1 Aug. 1920, in perceel Koninginneweg ...., als verhuurder van de woning, gelegen te Amsterdam, Rustenburgerstraat...., voor het gebruik dier woning, met ingang van 1 Aug. 1920, een huurprijs van ƒ 19.— per maand heeft bedongen, terwijl de huurprijs voor die woning geldende op 1 Jan. 1916 ƒ 4,25 per week bedroeg, en die hoogere huurprijs niet was goedgekeurd of vastgesteld door de in Amsterdam ingestelde Huurcommissie;

dat de Kantonrechter bij zijn vonnis dit feit, alsmede gerequireerdes schuld daaraan, wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, het heeft gequalificeerd „in eene gemeente waarvoor eene huurcommissie ingesteld is, als verhuurder eene hoogere vergoeding onder welken naam of in welken vorm ook bedingen voor het gebruik van eene woning dan den huurprijs voor de woning geldende op 1 Jan. 1916, zonder dat die hoogere huurprijs is goedgekeurd of vastgesteld door de huurcommissie", en, met toepassing van de artt. 1, 9, 13a en 14 der „Huurcommissiewet", 23 Strafr., den gerequireerde heeft veroordeeld tot eene geldboete van ƒ 1000,—, en eene vervangende hechtenis van 90 dagen.

dat de Rechtbank bij het bestreden vonnis de uitspraak van den Kantonrechter heeft bevestigd voor zoover daarbij het feit ten laste van gerequireerde was bewezen verklaard, doch die uitspraak voor het overige heeft vernietigd en den gerequireerde te dier zake heeft ontslagen van alle rechtsvervolging, zulks, op grond dat, waar vóór de wijzigingswet van 19 Febr. 1921 (Stbl. no. 71), art. 1 der Huurcommissiewet verbood voor het gebruik van eene woning als verhuurder een hoogere vergoeding te bedingen dan den huurprijs voor de woning geldende op of laatstelijk vóór 1 Jan. 1916, dit artikel ingevolge die wijzigingswet het verbod bevat eene hoogere vergoeding te bedingen dan den huurprijs voor de woning geldende op of laatstelijk vóór 1 Jan. 1916, vermeerderd met 20 pCt.;

dat de met ingang van 1 Aug. 1920 door beklaagde bedongen huurprijs van ƒ 19,— per maand minder dan 20 pCt. hooger is dan die van ƒ 4,25 per week, geldende op 1 Jan. 1916, zoodat het bewezen verklaarde volgens de heerschende wetgeving niet strafbaar is gesteld, en derhalve, vermits