Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze wetgeving, als bevattende de voor den beklaagde meest gunstige bepalingen, krachtens art. 1, al. 2, Strafr., behoort te worden toegepast, het bewezen verklaarde feit niet strafbaar is;

O. dat ter ondersteuning van het middel van cassatie in hoofdzaak is aangevoerd, dat, waar de bedoeling van art. 1, 2e lid, Strafr. is, dat de verandering in de wetgeving moet getuigen van een gunstiger beoordeeling van de te berechten daad door den wetgever, dit geval zich hier niet voordoet, daar art. 1, in verband met art. 9 der Huurcc^rimissiewet van 1917 strafbaar heeft gesteld: voor het gebruik eener woning een hooger vergoeding te bedingen dan den huurprijs die gold op of laatstelijk vóór 1 Jan. 1916, zoo niet die hoogere huurprijs door de huurcommissie is goedgekeurd, en ditzelfde stelsel ook gehuldigd is in art. 1 der wijzigingswet, alleen met dit verschil, dat nu de huurprijs van 1 Jan. 1916 met 20 pCt. mag worden verhoogd;

dat dan ook de wetgever bij de Huurcommissiewet aan zijne strafbepaling, met het oog op omstandigheden waarvan het tijdelijk en bijzonder karakter in de wet in art. 15, al. 2, zelf is neergelegd, een tijdelijke werking heeft toegekend, en de wetgever van 1921 wèl heeft gemeend, in tegenstelling met dien van 1917, met het oog op de veranderde tijdsomstandigheden, duurte enz. en ter besparing van werk bij de verschillende huurcommissiën, eene verhooging van 20 pCt. te moeten toestaan, zoodat art. 1 der wet van 1917 is komen te vervallen en een nieuw art. 1 is ontstaan, maar van een gewijzigd inzicht van den wetgever in de strafbaarheid geen sprake kan zijn;

O. hieromtrent:

dat bij art. 1 der wet van 19 Febr. 1921 (Stbl. no. 71), in werking getreden met ingang van 1 April daaraanvolgende, de bepaling van art. 1 der Huurcommissiewet, waarvan de overtreding bij art. 9 dier wet strafbaar is gesteld, onder andere in dien zin is gewijzigd, dat het verbod om als verhuurder eene hoogere vergoeding voor het gebruik van eene woning te bedingen dan den huurprijs voor de woning geldende op of laatstelijk vóór 1 Jan. 1916, zoo niet die hoogere huurprijs is goedgekeurd of vastgesteld door de huurcommissie, slechts geldt voor het geval

Idat eene hoogere vergoeding is bedongen dan genoemde huurprijs vermeerderd met 20 pCt.; dat derhalve, na het in werking treden der genoemde wet van 1921, het door den verhuurder, voor het gebruik eener woning als waarvan bier de rede is, bedingen van eene vergoeding die niet hooger is dan de huurprijs daarvoor geldende op of laatstelijk vóór 1 Jan. 1916, vermeerderd met 20 pCt., niet meer is een bestanddeel van het bij art. 1 der Huurcornmissiewet verboden en bij art. 9 dier wet strafbaar gesteld feit, — zoodat het te laste gelegde en bewezen verklaard feit, waar de door gerequireerde met ingang van 1 Aug. 1920 bedongen huurprijs rninder, dan 20 pCt. hooger was dan die geldende op 1 Aug. 1916, tijdens de behan-