Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L. L. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Hof te Arnhem van 10 Dec. 1914, houdende bevestiging in hooger beroep, met aanvulling der gronden, met uitzondering van de opgelegde straf, van een vonnis der Arr.-Rechtbank te Arnhem van 27 Oct. 1914, waarbij de requirant werd schuldig verklaard aan het misdrijf van „verboden uitvoer van een paard", en, met toepassing van de artt. 1 en 2 der wet van 3 Aug. 1914 (S. 344) en het Kon. Besluit van 3 Aug. 1914 (S. 369), en onder aanhaling van het Kon. Besluit van 30 Juli 1914 no. 72 (Staatscourant dd. 1 Aug. 1914 no. 178, 2e Bijvoegsel), veroordeeld.

De adv.-gen. Tak heeft de volgende conclusie genomen:

Bij inleidende dagvaarding was aan requirant ten laste gelegd en bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Arnhem van 27 Oct. 1914 ten zijnen aanzien als wettig en overtuigend bewezen aangenomen: „dat hij, omstreeks 7 Sept. 1914, uit Azewijn, gemeente Bergh, terwijl er oorlogsgevaar was, een paard over de Duitsche grens naar Klein-Netterden (Duitschland) heeft uitgevoerd, door, staande aan de Duitsche zijde van het grenskanaal tusschen Nederland en Duitschland, terwijl bedoeld paard aan de overzijde van dat kanaal zich op Nederlandsen territoir bevond, opzettelijk door middel van een touw, waarmede dat paard om den hals was vastgeknoopt, dat dier door het water van gemeld kanaal naar de plaats, waar hij stond, te trekken", welk feit vervolgens werd gequalificeerd als: „Verboden uitvoer van een paard", met veroordeeling deswege in eene gevangenisstraf voor den tijd van twee maanden.

Deze uitspraak werd door het Gerechtshof aldaar bij arrest van 10 Dec. jl., W. 9741, met aanvulling der gronden bevestigd, met uitzondering echter van de opgelegde straf, die tot drie maanden gevangenisstraf werd verzwaard.

De tweede grief, klagende over: „Schending, althans verkeerde toepassing, van art. 2 Strafr., door aan te nemen, dat het feit in Nederland is gepleegd, waar vaststaat en ten laste is gelegd, dat beklaagde, in Duitschland staande, het misdrijf pleegde", stelt Uw Raad andermaal voor de °ude strijdvraag van den locus delicti. Nieuw licht kan men daarover van mij niet verwachten. Uit de verschillende stelsels (Vgl. Noyon, 3e druk, I, blz. 43 vlg., Simons, Leerboek, 2e druk, I, blz. 105 vgl., v. Hamel, Inleiding, 3e druk, blz. 255 vlg., alsmede de daar aangehaalde schrijvers), koos Uw Raad dat van zijn tegenwoordigen Procureur-Generaal, door bij arrest van 16 Oct. 1899, W. 7347 (Vgl. conclusie Mr. Parijn, voorafgaand aan arrest Hoogen Raad 13 Nov. 1892, W. 6433) aan te nemen op grond der geschiedenis (Vgl. Smidt, Strafwetboek, le druk, I, blz. 112), dat de plaats des misdrijfs niet bepaald wordt door de plaats, alwaar het gevolg van des daders handelingen zich openbaart, maar door de plaats, alwaar datgene, hetwelk zijnerzijds tot