Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het plegen van een misdrijf vereischt wordt, door hem persoonlijk is verricht.

'"Nu"hebben de Rechtbank en het Hof ieder op andere wijze getracht de geslepenheid van requirant — straks belangrijke academische casuïstiek — te verschalken. Slechts de plaats van het uit te voeren goed, niet die des daders, is hier beslissend, zoo zeide de Rechtbank, waartegenover het Hof stelt, dat het touw moest worden beschouwd als des daders verlengde arm, waarmede hij op Nederlandsch territoir werkzaam was. Beide meeningen schijnen mij onjuist. De eerste toch verwaarloost de wettelijke terminologie, terwijl de door het Hof aangebrachte arm in het gebruik onpractisch en als kunstproduct te veel in het oog valt. Liever verdedig ik dan ook een derde stelsel, zich aansluitend aan de jurisprudentie van het Duitsche Reichsgericht, dat niet met Uw leer in strijd behoeft te zijn en dat tevens de ernstige gevolgen der strenge theorie van de lichamelijke daad afwentelt.

Waar vaststaat, dat het touw, vanaf de plaats, waar de dader zich bevond, tot daar, waar het aan het paard bevestigd was, één geheel uitmaakt, schijnt het mij toe, dat de spierbeweging van den dader niet alleen beperkt is tot Duitschland, doch zich uitstrekt over ieder deel van het touw, ook dus, waar dit zich in Nederland bevindt, zoodat de locus delicti langs de geheele lengte van het touw ligt, waar dit door de verrichting des daders in beweging wordt gebracht (Vgl. Olshausen, Kommentar, 4e druk, I, blz. 53). In dien zin opgevat, is dan het strafbaar feit zoowel in Nederland als in Duitschland verricht en dus van hieruit, gelijk in de beslissingen terecht is aangenomen, bereikbaar.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende omtrent het tweede middel: .

dat weliswaar de plaats van een misdrijf niet bepaald wordt door de plaats, waar het gevolg van des daders handelingen zich openbaart, in dien zin, dat, wanneer zich zoodanig gevolg in Nederland openbaart, die handelingen steeds geacht moeten worden in Nederland te zijn gepleegd, doch dat men anderzijds zeer goed, zich in het Buitenland bevindende, hier te lande een misdrijf kan plegen, en de vraag, wanneer zulks het geval is, bij gebreke eener bepaalde uitspraak door den strafwetgever, door den rechter aan wetenschappelijke beginselen moet worden getoetst;

dat zulks ook de opvatting was van de Regeering bij de tot standkoming van het Wetb. van Strafrecht blijkens het door haar bij de schriftelijke gedachtenwisseling over art. 2 op het Verslag der Tweede Kamer gegeven, en toen niet bestreden antwoord, waarin mede uitdrukkelijk werd verklaard, dat men zeer goed door tusschenkomst van een instrument kan handelen op eene andere plaats, dan waar men zich bevindt;