Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat nu het Hof, zonder schending van gemeld artikel heeft kunnen beslissen, dat de requirant, door, terwijl hij zich op Duitsch grondgebied bevond, te trekken aan een touw, waaraan het zich op Nederlandsch grondgebied bevindend paard was bevestigd, tengevolge waarvan dat paard uit Nederland over de grens naar Duitschland kwam, op Nederlandsch grondgebied werkzaam was;

dat alzoo ook het tweede middel is ongegrond.

Verwerpt het beroep.

W. 9764. Ned. Jur. 1915, bl. 427.,

16 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 2 Januari 1923.

Art. 2 W. v. Str.

Beleediging door middel van de drukpers wordt gepleegd op alle plaatsen, waar het geschrift wordt openbaar gemaakt.

Mr. E. W. H. D. is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, van den 28 Sept. 1922 — voor zoover hij daarbij is veroordeeld — houdende bevestiging in hooger beroep van een op 16 Mei 1922 door de Arrond.-Rechtbank te Utrecht gegeven uitspraak, waarbij requirant ter zake van eenvoudige beleediging aangedaan aan een ambtenaar ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening, met toepassing van de artt. 266, 267, 23 en 63 Strafr., is veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi:

I. „Schending, immers verkeerde toepassing van de artt. 1 Strafr., 24, 143, 211, 216, 221, 223, 239, 246, 247 Strafv., doordien het Hof den requirant heeft veroordeeld, niettegenstaande was ten laste gelegd een feit, gepleegd op verschillende plaatsen, althans door niet te beslissen, waar het feit is gepleegd."

Overwegende, dat aan requirant bij inleidende dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij op of omstreeks 19 Jan. 1922, te Haarlem en elders in Nederland, opzettelijk Mr. C. J. van A., Ambtenaar van het O. M. bij de Kantongerechten in het Arrondissement Utrecht, in het openbaar ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening, heeft beleedigd door, met het oogmerk om de eer en goeden naam van gemelden ambte-