Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veroordeeld tot een maand gevangenisstraf, hebbende het Hof, met toepassing van de artt. 14a en volgende Strafr., alsnog bepaald, dat de den beklaagde opgelegde gevangenisstraf niet zal worden ondergaan, tenzij het Hof later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich binnen een proeftijd, welken het Hof stelt op drie jaren, opnieuw aan een strafbaar feit mocht schuldig maken of gedurende den proeftijd de na te noemen bijzondere voorwaarde niet mocht naleven, welke bijzondere voorwaarde luidt: dat hij zich stelle onder toezicht van het Genootschap tot Zedelijke Verbetering van Gevangenen, afdeeling Leeuwarden, terwijl voorts dit toezicht aan gezegd Genootschap, afdeeling Leeuwarden, werd opgedragen.

De adv.-gen. Ledeboer heeft de volgende conclusie genomen: Edele Hoog Achtbare Heerenl

Met bevestiging overigens van een vonnis van den Politierechter te Leeuwarden, heeft het Hof de in eersten aanleg opgelegde straf in dier voege gewijzigd, dat het met instandhouding van de veroordeeling tot ééne maand gevangenisstraf daarvan eene „voorwaardelijke" heeft gemaakt, met bepaling van een proeftijd op drie jaren en met bepaling nevens de algemeene voorwaarde van het niet plegen van een strafbaar feit gedurende den proeftijd, als bijzondere voorwaarde, dat veroordeelde zich stelle onder toezicht van de Afdeeling Leeuwarden van de „Zedelijke Verbetering", waaraan dat toezicht werd opgedragen.

Kenlijk is daarbij aan de aandacht van het Hof ontgaan de bepaling van art. 14c, tweede lid, Swb., dat eene andere bijzondere voorwaarde, dan die tot vergoeding van schade, in verband met gevangenisstraf slechts kan worden gesteld in geval van veroordeeling tot gevangenisstraf van twee maanden of langer.

Te recht is dan ook door den Heer requirant dat artikel als geschonden voorgedragen.

Het arrest kan dus niet in zijn geheel in stand worden gehouden. Het zij mij veroorloofd een oogenblik stil te staan bij de vraag hoe ver de Hooge Raad dan kan gaan met vernietigen en voorts wat bij het ten principale recht doen kan geschieden.

Van het antwoord op die vraag hangt nJ. af, of de Hooge Raad nu zelf de keus mag doen tusschen een zgn. voorwaardelijke veroordeeling al dan niet met bijzondere voorwaarde als bedoeld in art. 14c, tweede lid, en eene onvoorwaardelijke veroördeeling.

Indien men de veroordeeling tot gevangenisstraf — cq. ook tot principale hechtenis —, in art. 14a Swb., scherp zou moeten onderscheiden van een bevel, dat de straf voorshands niet zal worden ten uitvoer gelegd en als strafoplegging slechts zou mogen beschouwen de uitgesproken vrijheidsstraf als zoodanig, zou in dit geval art. 214 Strafv. behoorlijk zijn nagekomen en een straf zijn opgelegd op het feit gesteld. De veroor-

I