Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deeling tot ééne maand gevangenisstraf zou dan, als niet met de wet in strijd, in stand moeten worden gehouden.

Naar gelang men dan verder al dan niet het stellen van de algemeene en van de bijzondere voorwaarde als los van elkander zou beschouwen, Zou in dit geval de algemeene voorwaarde, als gesteld overeenkomstig art. 14a Swb., in stand moeten blijven en de Hooge Raad zich moeten bepalen tot vernietiging van de gestelde bijzondere voorwaarde en in verband daarmede van de opdracht aan de „Zedelijke Verbetering" gedaan, öf wel het complex van voorwaarden zou vernietigd moeten worden en, ten principale recht doende, zou dan de Hooge Raad de keuze hebben de uitgesproken gevangenisstraf onvoorwaardelijk te laten bestaan öf daaraan het bevel tot opschorting der tenuitvoerlegging enkel onder de algemeene voorwaarde te verbinden.

De rechter heeft krachtens art. 211 Strafv. te beraadslagen over de toepassing van de straf bij de wet bepaald. Na de invoering van de bepalingen betreffende de zoogenaamde voorwaardelijke veroordeeling verplicht deze bepaling den Rechter ongetwijfeld te beraadslagen en te beslissen niet alleen over de vraag welke straf, naar de algemeene omschrijving in verband met verzwarende of verlichtende omstandigheden op het delict gesteld, op den beklaagde zal moeten worden toegepast, maar ook hierover of die straf onvoorwaardelijk moet worden opgelegd, dan wel dat de Rechter met toepassing van art. 14a Swb. zich zal voorbehouden over de tenuitvoerlegging cq. nader te beslissen.

Is dat zoo, dan volgt uit het verband tusschen artt. 211 en 214 Strafv., dat, waar art. 214 Strafv. zegt, dat bij schuldverklaring de straf wordt opgelegd op het feit gesteld, daarmede wordt bedoeld, dat, indien de in art. 211 vermelde beraadslaging heeft geleid tot schuldigverklaring, als straf zal moeten worden opgelegd de straf — en wel in den vorm dien de Rechter daaraan vermag toe te kennen —, welke de Rechtbank volgens hare beraadslaging het meest geëigend is voorgekomen.

Is daarbij — dus ook wat dien vorm van tenuitvoerlegging van de straf betreft—buiten de wet getreden, dan is niet opgelegd eene „straf op het feit gesteld" en mitsdien art. 214 Strafv. geschonden en zal de geheele strafoplegging moeten vernietigd worden en de Hooge Raad de strafoplegging in haar geheel zelfstandig moeten bepalen.

Ik acht mitsdien art. 214 Strafv., in verband met de artt. 14a, c en d Strafr. geschonden.

Het komt mij voor, dat eene voorwaardelijke veroordeeling met de bijzondere voorwaarde door het Hof bepaald in dit geval de meest geschikte strafoplegging zal zijn "en bij niet-naleven dier voorwaarde eene gevangenisstraf van twee maanden alleszins gerechtvaardigd is te achten.

Ik concludeer mitsdien tot vernietiging van het bestreden arrest voor zoover betreft de daarbij gehandhaafde gevangenisstraf en het bij het arrest daaraan toegevoegde bevel met voorwaarden en opdracht aan de