Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

requirant van cassatie tegen een beschikking van de ArrondissementsRechtbank te Amsterdam, van den 21 December 1921, waarbij aan G. van der G., bij vonnis der Arr.-Rechtbank aldaar van 14 Maart 1919 veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met bevel dat de straf niet zal worden ondergaan, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, — nader als bijzondere voorwaarde — op de niet-naleving waarvan last tot tenuitvoerlegging zal kunnen worden gegeven — is gesteld, dat de veroordeelde gedurende den proeftijd zich Zal stellen en zal blijven onder het toezicht van —r en zich stipt zal gedragen naar de voorschriften, hem te geven door de afdeeling Haarlem van het Nederlandsch Genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen.

Requisitoir van den Advocaat-Generaal Mr. Ledeboer.

Bij vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 14 Maart 1919 is G. van der G. wegens diefstal veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met bevel, dat deze straf niet zal worden ondergaan, tenzij de Rechtbank later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In dat vonnis is berust.

Op 31 October 1921 is vanwege het O. M. eene kennisgeving, houdende de straf met de daarbij gestelde voorwaarde aan den veroordeelde beteekend.

De proeftijd is mitsdien ingegaan op dien 31sten October, ingevolge art. 146 in verband met 14e Sr. Inmiddels was bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 Juni 1921, met vernietiging van een vonnis der Amsterdamsche Rechtbank, genoemde van der G. veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf wegens diefstal door twee of meer vereenigde personen, waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, gepleegd op 24 Augustus 1920, welk arrest na verzet, op 20 September 1921 is bekrachtigd, terwijl daartegen geene cassatie is ingesteld.

De Officier van Justitie heeft daarop krachtens art. 14 ƒ 2de in verband met het 1ste lid, op 9 November 1921 gevorderd, dat de Rechtbank last zou geven tot ten uitvoerlegging van het vonnis van 14 Maart 1919 bovenbedoeld. Daarop beschikkende heeft de Rechtbank op 21 December 1921, „overwogen, dat de Rechtbank termen aanwezig acht aan den veroordeelde alsnog de verplichting op te leggen gedurende den voormelden proeftijd aan eene bizondere voorwaarde te voldoen, terwijl het niet voldoen aan die voorwaarde grond zal kunnen geven tot een bevel dat door den veroordeelde de hem opgelegde gevangenisstraf van zes