Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maanden zal worden ondergaan" en „beslist en als bizondere voorwaarde gesteld — op niet-naleving waarvan last tot ten uitvoerlegging zal kunnen worden gegeven, — dat de veroordeelde gedurende den proeftijd zich Zal stellen en zal blijven onder het toezicht van en zich stipt zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door de afdeeling Haarlem van het Nederlandsen Genootschap tot Zedelijke Verbetering van gevangenen, met opdracht aan die afdeeling om den veroordeelde ter zake van de nakoming dezer bizondere voorwaarde hulp en steun te verleenen."

Hoewel deze beschikking juist — zooals ik nader meen aan te toonen — in strijd is met art. 14 g en h, is zij toch formeel daarop gegrond en mitsdien krachtens art. 14 k niet aan eenig rechtsmiddel onderworpen.

Krachtens art. 14 a Sr. kan de rechter veroordeelende tot gevangenisstraf- van ten hoogste een jaar of tot hechtenis en onder bizondere omstandigheden ook bij veroordeeling tot geldboete, daarbij tevens het bevel geven, dat de straf niet zal worden ondergaan, tenzij hij later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich vóór het einde van een bij het bevel te bepalen proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende dien proeftijd een bizondere voorwaarde welke bij het bevel — dat is dus bij het bij de veroordeeling gegeven bevel, — mocht zijn gesteld, niet heeft nageleefd.

Art. 14 c geeft omtrent die bizondere voorwaarde nadere voorschriften, waaruit volgt, dat in een geval als het onderhavige, de rechter bevoegd was, doch slechts bij zijn bovenbedoeld bevel, bizondere voorwaarden te stellen betreffende het gedrag van den veroordeelde en waaraan deze gedurende den proeftijd had te voldoen. De rechter heeft dat echter niet gedaan; de voorwaardelijke veroordeeling van 14 Maart 1919 hield slechts in de algemeene voorwaarde, eene bizondere voorwaarde was daarbij niet gesteld.

Onder die omstandigheden kon de Rechtbank de op grond van art. 14/ gedane mededeeling en genomen vordering ontvangen hebbende of wel den proeftijd verlengen, of bepalen dat den veroordeelde van harentwege eene waarschuwing zal worden toegediend, of last tot ten uitvoerlegging geven. (art. 14 g, h). De rechter heeft in dit opzicht vrije beslissing, onafhankelijk van de strekking van de vordering van het O. M. Ten einde dit te doen uitkomen is met voordacht gekozen de uitdrukking „na ontvangst eener vordering van het O.M.", in stede van „op vordering" van dien magistraat. (Verg. Bijl. Hdlg. 2e Kamer, 1911/12 n°. 304; 2 art. 14 septies, octies, novies en 1914/15 n°. 32; 1 bij art. 14/, g en n°. 32; 2 art. 14/, g, h.).

Nergens is echter aan den rechter de bevoegdheid gegeven, om na ontvangst van bedoelde mededeeling en kennisgeving, eene bizondere voorwaarde op te leggen aan een veroordeelde, waar het oorspronkelijk gegeven bevel, bedoeld in art. 14a, niet naast de algemeene voorwaarde eene bizondere inhield.