Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarbij opgelegde straf, en de requirant alsnog, met toepassing van de artt. 454 en 23 Strafr., is veroordeeld tot betaling eener geldboete van ƒ 5, met bepaling dat deze boete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden na den dag waarop dit vonnis kan worden ten uitvoer gelegd, zal worden vervangen door hechtenis voor den tijd van 5 dagen.

Uit de conclusie van den adv.-gen. Noyon: Edele Hoog Achtbare Heer en l

Als tweede middel is voorgesteld: Schennis, immers verkeerde toepassing van art. 23 Strafr., doordat in het vonnis van de Rechtbank is bepaald dat de veroordeelde de boete moet betalen, terwijl art. 23 Strafr. toelaat dat de boete wordt betaald door wie ook.

In het hierbij aangehaalde gedeelte van het vonnis staat dat de boete door hechtenis vervangen wordt zoo de veroordeelde ze niet tijdig betaalt.

Het kan zeker den requirant worden toegegeven dat art. 23 niet voorschrijft door wien feitelijk de betaling van de opgelegde boete gedaan moet worden, dat dus de met de ontvangst belaste ambtenaar zich niet behoeft te vergewissen uit wiens beurs zij wordt gedaan. Doch dit neemt niet weg dat de boete eene straf is en het aan de straf eigene persoonlijk karakter draagt.

De boete wordt dus praesumtione juris et de jure geacht betaald te Zijn door den veroordeelde aan wien zij bij het vonnis is opgelegd. Art. 24, tweede lid, zegt dan ook dat de veroordeelde zich door betaling van de boete ook na verloop van den termijn kan bevrijden van de hechtenis, niet alzoo is elke betaling eene persoonlijke voldoening door den veroordeelde aan het vonnis, hoewel het derde lid weder alleen van betaling spreekt zonder den veroordeelde als betaler te noemen.

De rechter kan dan ook niet de wet schenden door gelijk in casu te bepalen dat hij die tot boete veroordeeld is subsidiaire hechtenis zal ondergaan indien hij ze niet binnen den wettelijken termijn betaalt. Ook dit middel schijnt mij daarom onaannemelijk.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

O. ten aanzien van het tweede middel:

dat de requirant bij het bestreden vonnis is veroordeeld tot vervangende hechtenis van 5 dagen, bijaldien 2 maanden na den dag, waarop het vonnis kan worden ten uitvoer gelegd, door hem niet zal zijn betaald de boete van ƒ 5 hem bij dat vonnis opgelegd;

dat tegen deze veroordeeling terecht bij het middel wordt opgekomen;

O. toch, dat art. 23 Strafr. den rechter de macht geeft den duur der vervangende hechtenis te bepalen bijaldien de den veroordeelde opgelegde boete niet wordt betaald, doch niet om te bepalen dat vervangende