Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bons en kaarten, bestemd voor het verkrijgen van gedistribueerde levensmiddelen, welke boekjes, bons en kaarten toebehoorden aan een ander of anderen dan beklaagde;

O. ten aanzien van het eerste middel, luidende:

„Schending van art. 221 Strafv. in verband met de artt. 211 en 247 van dat Wetboek, tegen de niet-nakoming of schending welker artikelen in art. 223 van evengenoemd Wetboek nietigheid is bedreigd, zulks doordien de gebezigde bewijsmiddelen niet vermogen te wettigen het als bewezen aannemen van het feit, dat de requirante zich heeft schuldig gemaakt aan het haar te laste gelegd voortgezet misdrijf van diefstal."

dat het bevestigd vonnis inhoudt de aan den onbezoldigden rijksveldwachter J. C. de J., blijkens diens ambtseedig procesverbaal, afgelegde erkentenis van de requirante omtrent het door baar, terwijl zij als werkster werkzaam was in het gebouw van het bevolkingsregister te Rotterdam, in de maanden Juni of Juli 1918, in de afdeeling van den heer B. vinden en mede naar huis nemen van bonnen en levensmiddelenkaarten, het voorts door haar in Juni tot Nov. 1918 aldaar geregeld

uit een kastje en een hoekkast, daarbij nader aangeduid, weg- en medenemen van levensmiddelenkaarten, voornamelijk boterkaarten en bonboekjes, het ten eigen bate verkoopen der aldus ontvreemde bons en kaarten, alsmede het in hare woning door de politie in beslag nemen van een aantal der weggenomen kaarten en bonboekjes; vervolgens de verklaring van den getuige B. omtrent het in voornoemden tijd steeds aanwezig zijn in de door hem beheerde afdeeling van kaarten en bonboekjes als bovenbedoeld, welke in de door requirante vermelde kasten plachten te worden bewaard, en het later vermissen van een groot aantal kaarten, in hoofdzaak boterkaarten, en eindelijk de getuigenverklaringen onderscheidenlijk van den agent van politie W., omtrent het door hem in de woning van requirante in beslagnemen van een groot aantal bonnetjes, kaarten en bonboekjes en het aldaar in een lade aantreffen van geld, — en van den Inspecteur van Politie de J., omtrent het in beslagnemen van een gedeelte van dat geld, ten bedrage van ƒ 10.204, hem door de requirante opgegeven als afkomstig van de opbrengst van door haar verkochte bonboekjes, kaarten en bonnetjes;

dat nu wel, blijkens dit vonnis, de requirante bij het onderzoek ter terechtzitting in zoover op hare erkentenis is teruggekomen, dat zij toen ontkende ooit bonboekjes of kaarten uit een kastje te hebben weggenomen, doch de Rechtbank dit verweer, als niet op redelijke gronden gedaan, verwierp;

O. dat de rechter in die erkentenis en getuigenverklaringen aanwijzingen heeft kunnen vinden ten bewijze dat het bij dagvaarding te laste gelegde was gepleegd en dat de requirante daaraan schuldig was, terwijl de vraag, of dit terecht is gedaan, niet ter beoordeeling staat van den Hoogen Raad;