Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat dus dit middel is ongegrond;

O. ten aanzien van het tweede middel, luidende:

„Schending van art. 33 Strafr. door verbeurd te verklaren de in beslag genomen som van ƒ 10.204, zulks, terwijl niet door wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan, dat dit bedrag door middel van het misdrijf zou zijn verkregen."

dat dit, blijkens de toelichting bij pleidooi, hierop berust, dat niet zou zijn gebleken, dat het verbeurd verklaard bedrag de opbrengst is van het geheel of een deel der ontvreemde bonboekjes, bons en kaarten, meer in het bijzonder niet van hoevele daarvan;

O. dat de omstandigheid dat het verbeurd verklaard bedrag de opbrengst was van het geheel of een gedeelte der ontvreemde bonboekjes, bons en kaarten, door de Rechtbank kon worden aangenomen op grond van hetgeen haar bleek uit het onderzoek ter terechtzitting, terwijl bij geen wetsbepaling is voorgeschreven dat het vonnis de gronden en bewijsmiddelen zal aanwijzen waarop dit oordeel steunt;

dat nu de in het vonnis opgenomen opgaven van de beklaagde en de verklaringen van de getuigen, een en ander bij het onderzoek van het eerste middel vermeld, aan de Rechtbank de noodige gegevens verschaften om aan te nemen dat het bedoeld bedrag was de opbrengst van een gedeelte der ontvreemde bonboekjes, bons en kaarten, en die rechter niet verplicht was deze omstandigheid, blijkende uit de overwegingen van het vonnis, daarbij uitdrukkelijk vast te stellen, noch om te bepalen hoevele der ontvreemde voorwerpen het bedoeld bedrag hebben opgebracht;

dat derhalve ook dit middel is ongegrond; O. echter ambtshalve:

dat art. 33 Strafr. bepaalt, dat voorwerpen, den veroordeelde toebehoorende, door middel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is gepleegd, kunnen worden verbeurd verklaard;

dat, gelijk hierboven werd overwogen, blijkens het bevestigd vonnis, de Rechtbank aannam dat het verbeurd verklaard, in beslag genomen geld ten bedrage van ƒ 10.204 is de geldelijke opbrengst van door de requirante te eigen bate verkochte door diefstal verkregen bonboekjes, bons en kaarten;

dat derhalve deze gelden door requirante door middel van den verkoop der gestolen voorwerpen en niet door middel van den diefstal waren verkregen;

dat immers naar het gewone spraakgebruik alleen voorwerpen als door middel van misdrijf verkregen kunnen worden aangemerkt, zoo zij onmiddellijk door het plegen van het misdrijf worden verworven, — en niet blijkt dat in art. 33 Strafr. eene andere beteekenis aan die uitdrukking moet worden gehecht;

dat wel opmerking verdient, dat in art. 416 van dit Wetboek, bij de

5