Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een bestanddeel van een strafbaar feit en als zoodanig door wettige bewijsmiddelen te staven, maar afwezigheid daarvan als een grond die de strafbaarheid opheft.

J. P. van V., is requirant van cassatie tegen een te zijnen laste gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, van den 20en Aug. 1924, waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam, van den 24en Juni 1924, bij hetwelk hij wegens „poging tot diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van verbreking, terwijl nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de schuldige een tegen hem wegens diefstal uitgesproken gevangenisstraf geheel heeft ondergaan", met toepassing van de artt. 45, 310, 311 en 421 Strafr., is veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende, wat betreft het eerste middel, luidende:

„Schending, althans verkeerde toepassing van artt. 37 Strafr., in verband met 221 en 211 Strafv., daar het Hof, waar de toerekeningsvatbaarheid van beklaagde door den verdediger bij behandeling ter terechtzitting is in twijfel getrokken op de volgende gronden" (volgen een drietal gronden), „desniettegenstaande een onderzoek door deskundigen naar beklaagde's geestvermogens zonder motiveering weigerende, en aldus implicite het bestaan van toerekeningsvatbaarheid aannemende, heeft verzuimd met redenen omkleed te vermelden de overwegingen, waardoor die toerekeningsvatbaarheid als bewezen wordt aangenomen."

dat tot toelichting daarvan in de memorie en bij pleidooi door beklaagdes raadsman is aangevoerd, dat hij als verdediger voor het Hof de toerekeningsvatbaarheid van den beklaagde in twijfel heeft getrokken, waarvoor hij toen een drietal in de memorie vermelde gronden heeft opgegeven, dat, waar toerekeningsvatbaarheid een element is van het strafbare feit, dit element dus nu had moeten zijn bewezen;

O. hieromtrent:

dat in het proces-verbaal der terechtzitting van het Hof niet meer voorkomt dan dat deze raadsman heeft verzocht, dat, indien het Hof den beklaagde niet kon vrijspreken, dit een onderzoek van diens geestvermogens zou bevelen, terwijl het arrest inhoudt „dat het Hof geen termen aanwezig acht voor inwilliging van het verzoek";

dat naar onze wet toerekeningsvatbaarheid niet is te beschouwen als een bestanddeel van een strafbaar feit en als zoodanig door wettige bewijsmiddelen te staven, maar afwezigheid daarvan als een grond die de strafbaarheid opheft;

dat voorts de weigering om bedoeld onderzoek te gelasten niet behoefde te worden gemotiveerd, daar geen wetsbepaling dit eischt, zoodat