Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en diens vonnis in zooverre dan ook behoort te worden bevestigd;

dat het Hof zich echter niet kan vereenigen met de uitspraak des Krijgsraads, dat beklaagde met betrekking tot het te zijnen laste bewezen verklaarde en gequalificeerde feit niet strafbaar is, als hebbende hij dit feit begaan, terwijl hem dat wegens de ziekelijke storing zijner geestvermogens niet kan worden toegerekend, en met de op grond daarvan gevolgde vrijspraak van beklaagde;

O. dat deze uitspraak berust op de eindconclusie van het rapport door de deskundigen C. J. H. Tempelmans Plat, zenuwarts te 's-Gravenhage, en Dr. Ed. Hoelen, zenuwarts te 's-Gravenhage, in deze zaak uitgebracht, en wélke conclusie luidt: „dat de beklaagde G. voor het geraken op den bewusten avond (tijdens het plegen van het feit) in een ziekelijken toestand zijner geestvermogens tengevolge van alcoholvergiftiging, in tegenstelling der overgroote meerderheid der gevallen van dronkenschap, niet toerekenbaar mag worden geacht";

O. dat de redeneering in bedoeld rapport de volgende is: de deskundigen zijn van oordeel, dat er geen redelijke grond is om ook maar één oogenblik in twijfel te trekken, dat beklaagde op het tijdstip, waarop hij het feit pleegde, verkeerde in een echten alcoholroes, nu het gebruik door hem van een in elk geval zeer ruime hoeveelheid alcohol in de onmiddellijk daaraan voorafgegane uren wel onomstootelijk vaststaat. Handelingen, zooals beklaagde toen gepleegd heeft, zijn in zulk een toestand geenszins ongewoon; dat de herinnering aan het hoogtepunt van zulk een roes later volkomen ontbreekt, zooals zulks bij beklaagde het geval was, noemen de deskundigen mede niets bijzonders. Wel meenen zij, dat de verschijnselen er op wijzen, dat er hier een zware en niet gewone vorm van roes is geweest. Van een „pathologische roes" in den daarvoor geldenden zin kan men huns inziens hier niet spreken, omdat niet gebleken is, dat de beklaagde zou behooren tot de personen, die min of meer „intolerant" zijn tegen het alcoholgif en wier constitutie in dit opzicht pathologisch is. Integendeel nemen de deskundigen op grond van de met betrekking daartoe verrichte nasporingen aan, dat de beklaagde zeer goed alcohol kon verdragen en hij bij verschillende feestelijke gelegenheden evenveel en zelfs meer alcohol dan op den bewusten avond tot zich genomen heeft zonder daarvan eenige stoornis te ondervinden of iemand tot overlast te Zijn, en het is juist op grond daarvan, dat zij meenen hier te kunnen spreken van een abnormalen roes, dat is een voor zeker persoon ongewone, abnormale reactie op alcoholgebruik, welke dan tevens een zwaren en van de algemeen bekende vormen van dronkenschap min of meer afwijkenden vorm aanneemt. De vraag, hoe het intreden van dien abnormalen roes bij den beklaagde bier te verklaren is, vindt naar de meening der deskundigen hare beantwoording niet door aan te nemen, dat de beklaagde dien avond eene voor hem ongewoon groote hoeveelheid alcohol zoude hebben gebruikt — hij heeft wel veel, maar voor hem niet over-