Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

matig veel gedronken — maar wel in de omstandigheid, dat de beklaagde bij de bewuste gelegenheid zich bevond in een toestand van verminderd weerstandsvermogen tegenover alcohol. Tot het aannemen van zoodanigen toestand is naar de meening der deskundigen alle aanleiding, op grond van een drietal, in het rapport vermelde factoren, mede waardoor de beklaagde zich den laatsten tijd wat nerveus en in den dagelijkschen omgang wat prikkelbaarder dan gewoonlijk gevoelde. Daarbij wordt dan vermeld, dat de beklaagde in 1929 eene ziekte heeft doorgemaakt, waarbij is vastgesteld, dat de beklaagde een niet volmaakt evenwichtig en meer dan gewoon kwetsbaar zenuwstelsel heeft en bij welke ziekte herinneringsloosheid een zekere rol heeft gespeeld. De drie opgesomde schadelijke invloeden moeten hier, meenen de deskundigen, een gunstigen bodem hebben gevonden voor het uitoefenen van eene storende werking.

De deskundigen zeggen zeer goed te begrijpen, dat men zich in de practijk van het leven niet kan stellen op het streng medisch standpunt ten aanzien van de toerekenbaarheid van een feit in dronkenschap bedreven, en dat het niet aangaat iemand, die weet, dat hij voorzichtig moet zijn met het gebruik van geestrijke dranken, om welke reden en krachtens welke ervaring dan ook, niet aansprakelijk te stellen voor in een door eigen onvoorzichtigheid ontstanen roes gepleegde delicten; zoo iemand moge in den vergiftigingstoestand niet geweten hebben wat bij deed, hij is niettemin geheel door eigen toedoen in dien toestand gekomen en had dit moeten en kunnen vermijden. Zij zijn echter van oordeel, dat deze beklaagde redelijkerwijze geen aanleiding had, te kunnen verwachten, dat hij op den bewusten avond niet bestand zou blijken tegen het gebruik van eene hoeveelheid alcohol, kleiner dan hij menigmaal zonder stoornis heeft verdragen en niet grooter dan zijn tafelgenooten gemiddeld tot zich namen. Waar desniettegenstaande de beklaagde vrijwel opeens in een zoodanigen toestand van zinsverbijstering geraakt, dat hij niet meer weet wat hij doet en een delict begaat, meenen de deskundigen, dat men hier inderdaad wel een zeer bijzonder geval voor zich heeft, waarin het juist schijnt ten aanzien van de vraag naar de toerekenbaarheid van den delinquent een ietwat ander standpunt in te nemen dan in de groote meerderheid der gevallen van dronkenschap, om overwegend sociale redenen, als juist mag beschouwd worden.

Aldus komen de deskundigen tot hunne boven weergegeven conclusie.

O. dat ter terechtzitting van het Hof is aan den dag gekomen, dat beklaagde zeer wèl heeft geweten, althans moeten begrijpen, dat hij voorzichtig moest zijn met het gebruik van geestrijke dranken, al heeft hij dan daaromtrent den deskundigen niets medegedeeld en hen daarvan onkundig gelaten; dat toch is gebleken, dat de beklaagde, eenige maanden vóór het hem thans te laste gelegde feit is gebeurd, aan tafel in een militair kamp na het gebruik van veel alcoholhoudenden drank in een feeststemming zich zóó onbeheerscht heeft gedragen — door met een wijnglas