Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie, luidende:

Schending van de artt 214, 215 en 391 Strafvord. en art 432 Strafrecht, en verkeerde toepassing van art 40 Strafrecht;

Overwegende, dat bij dagvaarding aan de gerequireerde is ten laste gelegd en bij het bestreden vonnis als bewezen is aangenomen, dat de gereq. en H. v. d. H. den op 15 Febr. 1887 te Borger Compagnie, gemeente Veendam, te zamen en in vereeniging zich op openlijk zichtbare wijze bedelende nebben vervoegd aan de zijdeur der woning van H. M. en om een aalmoes werd gevraagd door H. v. d. H.;

O. dat evenwel ten opzichte van de gereq. (toen tweede bekl.) bij gemeld vonnis is overwogen: „dat het der Rechtbank is gebleken dat Zij, oud 75 jaren, gebrekkig is, niet door werken in haar onderhoud kan voorzien en het haar door het armbestuur verstrekte onderhoud slechts ƒ 0.50 per week bedraagt;

dat die bekl. alzoo wel genoodzaakt was om een beroep te doen op de weldadigheid harer medemenschen, ten einde door liefdegaven in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, en zij mitsdien mag geacht worden tot het begaan van het feit door overmacht te zijn gedwongen";

O. dat tegen deze beslissing het beroep in cassatie is gericht in hoofdzaak op de volgende gronden: dat overmacht is een fait justificatif, waarop de gereq. zich behoort te beroepen, terwijl zij (als afwezig) zich niet eens heeft verdedigd;

dat uit de geschiedenis van art 432 Strafrecht blijkt, dat de Tweede Kamer der Staten-Generaal zich niet heeft willen vereenigen met het amendement der Commissie van Rapporteurs, om in dit artikel uit te drukken, dat bedelarij slechts strafbaar zou zijn indien zij gepleegd is „buiten noodzaak";

dat er in dezen geen overmacht aanwezig was, omdat geene omstandigheden hetzij zoodanigen rechtstreekschen dwang op de gereq. uitoefenden, dat zij daaraan geen weerstand kon bieden, hetzij onmiddellijk levensgevaar voor haar opleverden, en dat althans niet is gebleken van de noodzakelijkheid om op een bepaald oogenblik tot lijfsbehoud een aalmoes te vragen;

O. dienaangaande, dat voor de straffeloosheid volgens art. 40 Strafrecht wordt vereischt: dat behoorlijk beslist zij, dat het overigens strafbare feit zij begaan onder den invloed eener kracht, waaraan geen weerstand kan worden geboden;

O. dat hoewel voor het bewijs dezer omstandigheid geen wettige bewijsmiddelen, evenals voor het bewijs van schuld, zijn voorgeschreven, de beslissing omtrent het bestaan daarvan behoorlijk met redenen moet omkleed zijn;

O. dat wel in het beklaagde vonnis beslist is, dat de gereq. genood-