Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen

den Advocaat-Fiskaal van de Zee- en Landmacht, ambtshalve gedaagde. Het Hoog Militair Gerechtshof;

Gehoord de pleidooien, en gezien de stukken van het geding;

Gelet op hetgeen appellant, bij zijn verhoor voor het Hof, beeft in het midden gebracht;

Overwegende, dat appellant voor den Krijgsraad te Willemsoord heeft terechtgestaan ter zake dat hij, belast met den geneeskundigen dienst aan boord van H. Ms. „de Ruijter", op den 31 Mei 1915 aan boord van dien bodem te Vlissingen, uitdrukkelijk heeft geweigerd en opzettelijk heeft nagelaten te voldoen aan de hem, namens zijn meerdere in rang, den kapitein ter zee J. C. B. vw d. B., commandant van gemelden bodem, door den Luitenant ter zee der le klasse Jhr. S. de R., eersten officier van gemelden bodem, in den dienst gegeven order om den commandant voormeld eene opgave te verstrekken van officieren van H. Ms. „de Ruijter", die na 1 Jan. 1914 vrij van dienst zijn geweest wegens het lijden aan eene venerische ziekte met vermelding van de data, waarop het vrij van dienst zijn een aanvang nam en eindigde;

O. dat de Krijgsraad, bij op 28 Juli 1915 gewezen vonnis, op grond van de bekentenis van beklaagde en de verklaring van den getuige Jhr. S. de R., wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard, met beklaagdes schuld daaraan, hetgeen hem is te laste gelegd; het aldus bewezen verklaarde heeft gequalificeerd als: „als officier in andere gelegenheden dan in eene affaire tegen den vijand, in de nabijheid van denzelve, of in oorlogstijd, op de brandwacht, in tijd van vrede en niet voor den

vijand, 1°. uitdrukkelijk weigeren, 2°. opzettelijk nalaten de hem door

zijn superieur gegeven order na te komen, beide feiten beschouwd als ééne voortgezette handeling" en te dier zake beklaagde, thans appellant, heeft veroordeeld tot eene militaire gevangenisstraf van één dag;

O. dat in het vonnis het te laste gelegde feit, met appellants schuld daaraan, te recht wettig en overtuigend bewezen is verklaard, hebbende de behandeling van de zaak in hooger beroep het Hof te dezen opzichte tot geen ander inzicht dan dat des eersten rechters geleid;

O. dat namens appellant is betoogd, dat deze, al aangenomen, dat het

I te zijnen laste bewezen verklaarde feit te recht is gebracht onder art. 97 van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te water, in elk geval ten onrechte is gestraft, omdat hier voor hem heeft bestaan een conflict

{ van rechtsplichten, een noodtoestand, overmacht; dat hij immers, hadde hij aan de order gevolg gegeven, gehandeld zoude hebben in strijd met den rechtsplicht, dien zijne hoedanigheid van vertrouwenspersoon op medisch gebied hem oplegde en zulks rechtens van hem niet kon worden gevorderd; O. dat, zooals blijkt uit onderscheidene wetsbepalingen — artt, 66,

| 163 Strafv., 137 Strafr., 1946 B. W., 64 Ongevallenwet — in ons recht