Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is erkend het beginsel van geheimbewaring door vertrouwenspersonen, terwijl bepaaldelijk voor geneeskundigen dit beginsel is neergelegd in art. 21 van de wet van 25 Dec. 1878 (Stbl. no. 222), houdende regeling der voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van arts enz.; dat dus met deze wettelijke formuleering van dit beginsel voor oogen zal moeten worden nagegaan wat er is van dit verweer van appellant;

O. dat daarbij dan allereerst moet worden beantwoord de vraag of de in voornoemd art. 21 bedoelde eed geldt enkel voor hem, die het vrije beroep van geneeskundige uitoefent — die, zooals art, 1 van de Wet van 1 Juni 1865 (Stbl. no. 60), het uitdrukt: „genees-, heel- of verloskundigen raad of bijstand verleent als bedrijf" — dan wel ook voor den ambtenaar, die de geneeskunst uitoefent, derhalve ook voor den Officier van Gezondheid bij de Koninklijke Marine;

O. dat deze vraag moet worden beantwoord in laatstbedoelden zin; dat immers ingevolge art. 1 van de bovengenoemde wet van 25 Dec. 1878 (Stbl. no. 222) de titel van arts de bevoegdheid verleent tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang en verkregen wordt door het afleggen van het practisch arts-examen, terwijl, ingevolge art. 21, zij, die voldaan hebben bij het examen als arts, voordat zij als zoodanig worden toegelaten, den in het artikel geformuleerden eed (of belofte) afleggen; dat dus, zooals blijkt uit het onderling verband van beide bepalingen, de eedsaflegging is de voorwaarde voor de toelating tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang; dat dit ook in den eed zeiven is uitgedrukt in de woorden: „dat ik de genees-, heel- en verloskunst zal uitoefenen"; dat wet noch eed iets zeggen

omtrent de wijze, waarop de uitoefening van de geneeskunst zal plaats vinden — als vrij beroep dan wel in ambtsbetrekking; dat wel uit art. 23 der wet, volgens hetwelk tot militaire artsen alleen benoembaar zijn zij, die volgens de wet bevoegd zijn tot uitoefening der geneeskunst in haren vollen omvang in het geheele Koningrijk, blijkt, dat de wetgever, toen hij den eed voor geneeskundigen regelde, ook over de militaire artsen zijne gedachten heeft laten gaan;

O. dat de verplichting van vertrouwens-personen tot geheimbewaring berust op de eigenaardige eischen van hunnen werkkring en het uitgangspunt van den eed voor geneeskundigen alzoo moet zijn geweest het schenken aan den geneeskundige van de gelegenheid om zijn werkkring naar zijn werkelijk wezen uit te oefenen; dat, Zal hiervan sprake kunnen zijn, er op moet kunnen worden gerekend, dat, zoo men zich stelt onder behandeling van een geneeskundige, geheim zal blijven hetgeen bij deze behandeling aan den geneeskundige wordt toevertrouwd ofte zijner kennis komt, opdat niemand uit vrees voor openbaarheid van het zich doen behandelen of van spreken vrijuit zal behoeven te worden teruggehouden;

O. dat hieruit volgt, dat de eed van den geneeskundige geldt slechts voor de gevallen, waarin hij moet kunnen zijn vertrouwens-persoon;