Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de officieren; dat echter dit somtijds optreden van den Officier van Gezondheid als controleerend geneeskundige geene wijziging kan brengen in de verhouding tusschen hem en de Marine-officieren met betrekking tot al die gevallen, waarin hij niet ter controleering is opgetreden;

O. dat, waar de in de order bedoelde opgave geenszins was beperkt tot officieren, tegenover wie appellant als controleerend geneeskundige was opgetreden, integendeel was zoo algemeen mogelijk en dus moest betreffen ook de officieren, die zich ter zake van venerische ziekte onder Zijne behandeling hadden gesteld, die dus zijne patiënten waren geweest of nog waren, die opgave mitsdien bestreek een terrein, waarop de eed is geldend;

O. dat blijkens den inhoud zeiven van den eed deze den geneeskundige tot geheimhouding verplicht tenzij de wet het tegendeel bepale, immers hem tot het geven van mededeeling verplichtte; dat, waar nu, zooals in het vonnis wordt aangetoond, onderscheidene bepalingen van het Reglement op den geneeskundigen dienst voor de Koninklijke Marine den Officier van Gezondheid verplichten, aan den commandant, onder wiens bevelen hij is gesteld, mededeeling te doen van allerlei, dat bij de uitoefening van zijn ambt te zijner kennis is gekomen, de vraag zal moeten worden beantwoord, of bier wellicht van eene door de Wet opgelegde verplichting tot mededeeling sprake kan zijn;

O. dat deze vraag in ontkennenden zin moet worden beantwoord; dat bedoeld Reglement op den geneeskundigen dienst is vastgesteld bij Koninklijk besluit en steunt op art. 60 van de Grondwet, volgens hetwelk de Koning het oppergezag heeft over zee- en landmacht; dat nu wel zoodanig grondwettig voorschrift den Koning bevoegd maakt om de rechts- en ambtelijke positie van de officieren te regelen, maar het Hem niet de bevoegdheid kan schenken om dit te doen op zoodanige wijze, dat een officier wordt verplicht te handelen in strijd met eene voor hem bestaande, op eene wetsbepaling berustende verplichting; dat immers, zooals ook blijkt uit het tweede lid van art. 60 voornoemd, de Koning enkel tot regelen bevoegd is voor zooverre, naar staatsrechtelijke beginselen, het terrein niet door Grondwet of wet voor den wetgever is voorbehouden, hetwelk met betrekking tot hetgeen de officier van gezondheid verplicht zal zijn mede te deelen omtrent hetgeen in de uitoefening van zijn ambt hem als geheim is toevertrouwd of te zijner kennis is gekomen, wel het geval is; dat dus van de bovenbedoelde bepalingen van het Reglement enkel kan worden gezegd, dat daaruit blijkt, dat van hooger hand men met het geheim der geneeskundigen het niet Zoo heel nauw heeft genomen, blijkbaar van oordeel als men was, dat de belangen van den dienst strikte eerbiediging van deze verplichting tot geheimbewaring niet toelaten en daarenboven in de kleine wereld aan boord van de oorlogsschepen het geheim toch pleegt door te lekken en praktisch niet heel veel te beteekenen kan hebben; dat echter dit alles