Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet kan wegnemen, dat, zoo de belangen van den dienst mochten eischen om de officieren van gezondheid in sommige opzichten tot het geven van mededeelingen te verplichten, het enkel de Wet kan zijn, die hen te dezen opzichte kan dwingen door hen in zooverre van hunnen op de Wet gegronden en naar de wet verwijzenden eed te ontslaan;

O. dat echter nog de vraag rijst of de Officier van Gezondheid, wanneer hij schriftelijke mededeelingen omtrent zijne patiënten doet aan den commandant, onder wiens bevelen bij is gesteld, daarmede wel handelt in strijd met wat zijn eed hem voorschrijft; dat er immers een dienstgeheim bestaat voor alle militairen met betrekking tot dienstbescheiden (verordeningen voor de Koninklijke Marine, deel 2, hoofdstuk IV, art. 288 en hoofdstuk V, art. 464);

O. daaromtrent: dat de eed zegt: „dat ik aan niemand zal openbaren" en met het oog op deze zoo bindende uitdrukking niet anders kan worden aangenomen dan dat de Officier van Gezondheid, die aan den commandant eene mededeeling doet als in den eed bedoeld, met dien eed in strijd handelt, immers den inhoud van die mededeeling aan iemand openbaart; dat daarenboven bedoeld dienstgeheim niet geldt, wanneer de onmiddellijke chef tot mededeeling opdracht of toestemming geeft;

O. dat op grond van al het voorgaande moet worden aangenomen, dat dit deel van het verweer, namens appellant gevoerd en boven weergegeven, is juist; dat er inderdaad voor hem heeft bestaan een conflict van rechtsplichten, waar hij werd gesteld voor de keuze zijn eed als geneeskundige te schenden of aan dienstweigering — een strafbaar feit — zich schuldig te maken; dat, waar hij het tweede heeft gekozen, door hem met grond op overmacht in den vorm van uit een conflict van rechtsplichten voorvloeienden noodtoestand een beroep kan worden gedaan, omdat van hem, die geneeskundige was toen hij werd officier, en officier is geworden en heeft kunnen worden enkel omdat hij geneeskundige was, in redelijkheid en ook rechtens niet mag worden gevorderd, dat hij aan zijn eed als geneeskundige te kort zoude doen;

Gezien, behalve de wetsartikelen in het vonnis van den Krijgsraad reeds genoemd, de artt, 185, 209 en volgende der Rechtspleging bij de Zeemacht, 55 van 's Hofs Provisioneele Instructie en 40 Strafr.;

Recht doende in hooger beroep:

Doet te niet het vonnis door den Krijgsraad te Willemsoord op 28 Juli 1915 ten laste van appellant gewezen voor zooverre appellant daarbij is veroordeeld tot militaire gevangenisstraf van één dag;

Houdt dit vonnis voor al het overige in stand;

Verklaart appellant niet strafbaar ter zake van het in het vonnis te zijnen laste wettig en overtuigend bewezen verklaarde en gequalificeerde feit;

Spreekt appellant vrij;

Ontzegt allen anderen eisch.

W. 9867