Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het manifest, waarvan hier sprake is, slechts zou worden getuigd van gevoelens van afkeer van uitoefening van geweld en van liefde tot den evenmensen, ook als men dien als vijand tegenover zich vindt.

De opvatting van den geachten pleiter, dat het manifest blijkens den inhoud slechts zou zijn een „getuigen'', is in strijd met de opvatting die het Hof daarvan heeft.

Het Hof toch leest in de verklaring, dat de onderteekenaars in persoonlijke dienstweigering een middel van groote zedelijke waarde zien ter vernietiging van het mihtairisme, ook in Zoover dat middel kan leiden tot massale dienstweigering, niet alleen een „getuigen" van de gevoelens van de onderteekenaars, doch ziet daarin ook de opzettelijke opwekking, om dat middel tot dat doel aan te wenden. Nu zegt het Hof weliswaar, dat die opzettelijke opwekking met omschreven strekking noodwendig ligt opgesloten in de voorafgaande aanprijzing van persoonlijke dienstweigering, doch voor zoover men zou aannemen, dat de juistheid eener als noodzakelijk — en dus onder alle omstandigheden geldend — voorgestelde gevolgtrekking uit vastgestelde feiten zelfstandig door den Hoogen Raad zou mogen worden beoordeeld, zij er op gewezen, dat het Hof in elk geval bovendien nog te kennen heeft gegeven, dat de aangegeven strekking van het manifest bovenal in een helder licht wordt gesteld door de woorden aan het slot daarvan opgenomen, waarin dienstweigering door zoovelen mogeüjk als een begeerlijk resultaat wordt voorgesteld. Hierdoor is dus — ook al ware de door het Hof gemaakte gevolgtrekking niet met noodzakelijkheid uit het voorafgaand feitenmateriaal af te leiden, — toch zeker voor dit geval, op grond van de bizondere gekozen bewoordingen waarin dit manifest is vervat, aangegeven hoe het Hof de beteekenis en strekking van den inhoud van het manifest opvat en zoodanige beslissing is eene feitelijke waartegen in cassatie niet met vrucht kan worden opgekomen. Het eerste middel mist dus eigenlijk feitelijken grondslag.

In verband met de toelichting zij hier dan, ten overvloede, nog eene enkele opmerking aan toegevoegd.

Dat „opruien" in het algemeen meestal wordt gebruikt in ongunstigen zin, kan worden toegegeven, al is de eigenlijke beteekenis daarvan: aansporen, sluimerende driften of krachten opwekken en in beweging brengen.

Het woordenboek der Ned. Taal i. v. opruien, zegt dan ook, na onder B, a, de» omschrijving te hebben gegeven, verder onder b. „vandaar: ophitsen, aanzetten tot iets; inzonderheid door boosaardige en op het verwekken van ontevredenheid of het stoken van onrust berekende gezegden of geschriften". Inzonderheid, niet uitsluitend. Maar wat daarvan zij, men vergete niet, dat in casu geheel in overeenstemming met den inhoud van de artt. 131 en 132 Strafwet, niet sprake is van „opruiing" zonder meer, maar van opruien tot eenig strafbaar feit en in dat verband is de beteekenis geene andere dan aansporen, opwekken tot het plegen