Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zoodanig feit. En taalkundig is het gebruik van het woord „opruien of opruiing", in de genoemde artikelen ook volkomen gerechtvaardigd, als men nadruk zou willen leggen op het doorgaand gebruik in ongunstige beteekenis, daar de wetgever zeker het opwekken tot het plegen van een strafbaar feit eene handeling van minder gunstigen aard kon achten. (Men verg. Mr. J. Limburg's diss. Straf b. opruiing bl. 41 vlg.).

Waar het Hof nu aannam, eensdeels dat „opruien" tot eenig strafbaar feit is opzettelijke opwekking daartoe en anderdeels dat aldus was opgewekt tot het plegen van een feit, dat door dé wet met straf was bedreigd, heeft het de in het middel genoemde artikelen zeker niet geschonden.

Bij het tweede middel wordt ontkend, dat de dienstweigering, waartoe dan zou zijn opgeruid, zou zijn strafbaar. Blijkens de toelichting bij pleidooi, zou requirant en zijne medestanders niet hebben willen bevorderen, dat zij die „dienen" dat niet behoorlijk zouden doen, doch dat zij die geroepen worden om te „dienen", dat zouden weigeren.

Bedoeld zou zijn principieele weigering om deel uit te maken van de weermacht, niet weigering om te gehoorzamen, als men daartoe behoort.

Bij die beschouwing wordt echter uit het oog verloren, dat er geene sprake kan zijn van weigering om deel uit te maken van een verband, waartoe men uit kracht der wet en geheel onafhankelijk van eigen wil of medewerking behoort: wel kan men natuurlijk zich feitelijk onthouden van het voldoen aan de verplichtingen die daaruit voortvloeien.

En waar nu het Hof feitelijk heeft vastgesteld, dat in het manifest opzettelijk werd opgewekt om elke persoonlijke, rechtstreeksche deelneming aan gewapende landsverdediging te weigeren, heeft het daaruit terecht de gevolgtrekking gemaakt, dat ook opzettelijk werd opgewekt om als militair in eene affaire tegen den vijand of in andere gelegenheden opzettelijk na te laten de orders na te komen of te gehoorzamen aan superieuren, wat juist bij art. 95 Crim. Wetb. voor het krijgsvolk te lande is verboden en strafbaar gesteld.

Zelfs al zou dan ook het verwijderd oogmerk van requirant op iets anders zijn gericht geweest, zoo zou terecht zijn aangenomen, dat zijn opzet thans blijkens zijn daad was gericht op het uitlokken van eene houding, die krachtens genoemd art. 95 strafbaar is, zoodat ook dit middel niet zal kunnen opgaan.

Aan het derde middel ligt ten grondslag, dat requirants geweten hem zou hebben gedrongen te handelen, zooals hij gehandeld heeft, m.a.w. dat requirant zich in geweten verplicht achtte te doen wat hij deed. Dienaangaande overwoog het Hof, het beroep op overmacht — welke requirant diensvolgens voorhanden achtte — verwerpende, dat een innerlijke drang tot handelen, zonder meer, niet is overmacht in den zin der wet.

Het Strafwetboek, overmacht erkennende als grond tot uitsluiting