Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der strafbaarheid, begrijpt daaronder elke kracht, elke drang, elke dwang waaraan men geen weerstand kan bieden, elke lichamelijke (physieke) of zedelijke (psychische) dwang. De wetgever stond ook hier op indeterministisch standpunt en dacht aan zoodanige inwerking op den dader, dat de vrije wilsbepaling van den dader als drijfveer van diens handelen (of nalaten) ontbrak. (Vgl. Smidt ad art. 40). Niet in dien zin echter, dat de vrije keuze om zoo of anders te handelen absoluut zou moeten Zijn uitgesloten, doch in dezen zin, dat binnen de grenzen der redelijkheid een verder weerstand bieden aan drijfkrachten in verboden richting niet meer geboden kan worden geacht. Terecht wordt dan ook door Prof. van Hamel (Inl. 2e druk bl. 275, vgl. ook Noyon 3e druk ad art. 40 no. 2) opgemerkt, dat de vraag niet is of de dader (in absoluten zin) nog weerstand bieden konde, maar of hij rechtens nog weerstand bieden moest, (ten onrechte meent de Hoogleeraar dat daarmee op deterministisch standpunt zou zijn overgestapt).

La verband met den eisch, dat onder normale omstandigheden van den normalen mensen een zich gedragen naar de voorschriften der wet wordt gevorderd, omdat hij die naleven kan en in het belang der rechtsorde naleven moet, volgt uit een en ander, dat de psychische drang, die door godsdienstige of zedelijke motieven wordt uitgeoefend, niet van dien aard is, dat men van overmacht kan spreken en dat een beroep op overmacht eerst ter plaatse kan zijn, indien abnormale omstandigheden in zóó hooge mate des daders besluit tot handelen hebben beïnvloed, dat hij in objectieven zin geacht moet worden zedelijk niet onrechtmatig te hebben gehandeld en gezegd kan worden iri den normalen zin niet meer vrij te hebben kunnen kiezen.

Bij een beroep op gewetensdrang als in dit geval, kan daarvan echter geene sprake zijn. Integendeel. De requirant geeft daarmede toch te kennen, dat hij naast het wetsvoorschrift, dat hem verbood te handelen zooals hij deed, in zijn geweten las een voorschrift, dat hem zoodanig handelen gebood. Hij koos de inspraak van zijn geweten te volgen, niet tengevolge van eenige buitengewone in den regel niet voorhanden omstandigheden, maar omdat plicht hem gebood de richting in te slaan, die hem, naar hij meende door een richtig geweten, werd aangegeven. Hij kon wel anders hebben gehandeld, doch naar zijn subjectief gevoelen mocht hij niet anders. Daarmede echter is bij niet gekomen op het punt, dat rechtens weerstand bieden verder niet geboden zou zijn te achten.

Immers in een geordenden staat als de onze, waar de wetten tot stand komen in gemeen overleg tusschen de vertegenwoordigers des volks en de regeering en de constitutioneele machine zoodanig functioneert, dat al te groote verschillen tusschen de erkende beginselen der zedelijke orde en de positieve wet geacht kunnen worden te zijn uitgesloten, of althans, waar die blijken te bestaan, of bij het opkomen van nieuwe behoeften mochten ontstaan, verwacht kan worden, dat deze langs wette-

I