Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O. betreffende het derde middel:

dat blijkens het arrest requirant zich heeft beroepen op overmacht, daarvoor aanvoerende, dat zijn geweten hem heeft gedrongen te handelen, zooals hij gehandeld heeft, welk beroep door het Hof op den in het cassatiemiddel weergegeven grond is verworpen;

dat tegen deze beslissing het cassatiemiddel zich ten onrechte richt;

dat toch de woorden „innerlijke drang tot handelen zonder meer" kennelijk moeten worden verstaan in dien zin, dat die drang niet veroorzaakt werd door rechtstreeks op requirant inwerkende bijzondere uitwendige omstandigheden;

dat derhalve requirants opgave dat zijn geweten hem tot zijn handelingen heeft gedrongen, door het Hof, in verband met den inhoud van het manifest, blijkbaar aldus is opgevat dat requirants innige overtuiging omtrent het zedelijk ongeoorloofde van den krijgsdienst en van hetgeen daarmede samenhangt, hem tot medewerking aan uitvaardiging en verspreiding van het manifest heeft gedrongen;

dat echter een dergelijke, slechts uit eigen opvattingen omtrent de zedelijke en maatschappelijke waarde van wettelijke instellingen en voorschriften voortspruitende drang terecht door het Hof niet als overmacht in den zin van art 40 Strafr. is aangemerkt;

Verwerpt het beroep.

W. 9955.

26 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 15 October 1923.

Art 40 W. v. Str.

De Rechtbank heeft onder de als vaststaand aangenomen omstandigheden, dat de bekl.-opticien die de Verordening op de Winkelsluiting overtrad, door in gijn winkel een bril of lorgnet te verkoopen aan iemand van wien het vaststond dat hij zonder bril of lorgnet niet kon zien en toen in zeer hulpbehoevenden toestand verkeerde, terecht aangenomen dat de winkelier niet strafbaar was daar hij in overmacht handelde.

Onder deze omstandigheden heeft de Rb. aan het wettelijk begrip van overmacht, dat blijkens de geschiedenis der wet ook den toestand van nood omvat, geen geweld aangedaan.

De. Officier van Justitie bij de Arr.-Rechtbank te Amsterdam, requirant van cassatie tegen een vonnis dier Rechtbank van den twaalfden