Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27 GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN.

Zitting van 9 October 1890.

Art. 41 W. v. Str.

Noodweer uit art. 673 B. W.

Dc Officier van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Assen, appellant, voor wien ten dezen optreedt de procgen. bij dit Gerechtshof, tegen

R. v. A., geïntimeerde, compareerende in persoon. Het Hof, enz.;

Overwegende, dat de beid. en geint. in eerste instantie vanwege den officier van justitie is gedagvaard en op den 12 Aug. 1890 terechtgesteld ter zake: „dat hij op 22 Juli j.1. opzettelijk en wederrechtelijk een tot waterkeering dienenden vloeidijk op een stuk land aan den Beilerstroom, onder de gemeente Dwingelo, welk stuk land met bedoelden dijk in eigendom toebehoorde aan W. D., en in huur werd gebruikt door de wed. H. B., heeft doorgestoken en daardoor dien vloeidijk ten deele heeft onbruikbaar gemaakt en beschadigd";

O. dat de Rechtbank bij haar vonnis, door de bijgebrachte bewijsmiddelen als vaststaande heeft aangenomen, dat de door den bekl. doorgestoken vloeidijk op het land van D. was geplaatst ten einde te verhinderen, dat het water van beklaagdes hooger gelegen land, liep op het lager gelegen land van D., en dat het eenige resultaat van het doorsteken van den dijk, waardoor schade werd veroorzaakt, was het opheffen van die belemmering, het doorsteken van den dijk, als dijk om dat water te keeren opgericht; verder heeft overwogen, dat het oprichten van dien vloeidijk in strijd was met de uitdrukkelijke verbodsbepaling van art. 673 B. W.; dat dus de eigenaar of gebruiker van het lager gelegen land niet alleen geen recht had dien dijk daar te plaatsen, maar zulks bepaaldelijk tegen het recht, wederrechtelijk geschiedde en daardoor het recht van den bekl. op afwatering van zijn hooger gelegen land, werd gekrenkt; dat hier is te laste gelegd, wedeirechtelijke beschadiging of onbruikbaarmaking van den gemelden, tot waterkeering dienenden, dijk; dat hier een dijk ten deele onbruikbaar gemaakt is — die geen recht van bestaan had, ja wederrechtelijk bestond, blijkens het hiervoren overwogene; dat waar geen recht van bestaan is voor eenig goed, geen recht wordt gekrenkt door dat goed in een staat te brengen dat het niet meer gebruikt kan worden tot het wederrechtelijk doel — en eindelijk op deze gronden niet wettig en overtuigend bewezen heeft geacht dat de bekl. de hem tenTaste gelegde als bewezen aangenomen beschadiging en onbruik-