Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baarmaking wederrechtelijk heeft gepleegd en hem mitsdien daarvan heeft vrijgesproken de kosten te dragen door den Staat;

O. dat de officier van justitie van dit vonnis is gekomen in hooger beroep;

Ten aanzien van dit hooger beroep:

O. dat uit het vonnis a qao niet blijkt dat het als bewezen aangenomen feit werd begaan onder den drang van overmacht of geboden door noodzakelijke verdediging van beklaagdes goed tegen oogenblikkelijke aanranding; dat veeleer de grond waarop de eerste rechter het wederrechtelijke van beklaagdes handeling niet bewezen acht, uitsluitend in het naar 's rechters meening wederrechtelijk bestaan van den ter dagvaarding bedoelden vloeidijk is gelegen;

O. dat deze grond van beslissing, naar 's Hofs oordeel in strijd is met het rechtsbeginsel, dat eigen richting in den regel ongeoorloofd is; dat dan ook de Rechtbank, geen overmacht of noodweer aannemende tot de beslissing had moeten komen dat het feit door den bekl. gepleegd was een daad van eigen richting waarbij deze een middel bezigde door de strafwet verboden;

O. dat het vonnis a quo op dezen grond behoort te worden vernietigd en de zaak alzoo door het Hof op nieuw behoort te worden onderzocht en afgedaan;

O. dat de bekl. ter terechtzitting in hooger beroep in hoofdzaak in overeenstemming met zijne bekentenis voor de Rechtbank afgelegd heeft bekend en opgegeven, dat op den 22 Juli U. tengevolge van den veelvuldigen regen veel water van zijn aan den Beilerstroom, gemeente Dwingelo, gelegen grasland afvloeide over het daarnaast gelegen grasland, eigendom van W. D., in huur gebruikt door de wed. B., dat destijds de waterstand in den genoemden Beilerstroom buitengewoon hoog was, zoodat er dreigend gevaar bestond dat die stroom, ondanks den daarlangs gelegen zomerdijk, buiten de oevers zoude treden en de naastgelegen landen overstroomen; dat in zijn (beklaagdes) grasland, op dat tijdstip een aanzienlijke voorraad hooi aanwezig was; dat door het bedoelde grasland bij de wed. B. in gebruik, evenals doorzijn grondstuk en andere, aan den stroom gelegen gronden, een voormalige stroombedding loopt waardoor het water in den regel zonder bezwaar kan afstroomen; dat hij op den 22 Juli 1.1. zijn grasland bezoekende bevond, dat op meer bedoeld lager gelegen land bij genoemde weduwe in huur, een waterkeering of vloeidijk was opgeworpen, waardoor de afloop van 't water van de hooger gelegen gronden werd belet, dat hierdoor reeds aanvankelijk zijn (beklaagdes) hooiland onder water geraakte, terwijl te voorzien was, dat het water van den stroom zich binnen zeer korten tijd zou vereenigen met het hemelwater, nu reeds tot groot nadeel van het hooi op zijn grond aanwezig;

dat alzoo rechtstreeksch gevaar bestond voor 't algeheel en hoogst moeilijk