Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien hond dood te schieten, en dat hij in ieder geval had gehandeld in eene hevige gemoedsbeweging door dien aanval en dien beet veroorzaakt;

dat echter het Hof deze verdediging heeft verworpen, op grond dat in deze niet vaststond, dat de req. tijdens het plegen van het feit verkeerde in een geval van noodweer, en er alzoo ook van de overschrijding van de grenzen daarvan geen sprake kon zijn, tegen welke beslissing het middel van cassatie is gericht;

O. hieromtrent:

dat aan „wederrechtelijke aanranding" alleen kan worden gedacht bij eene handeling die hetzij rechtstreeks hetzij middellijk van een mensen uitgaat;

dat mitsdien waar gelijk in deze, de req. is aangevallen door een dier, dat niet is aangehitst of op hem losgelaten, het Hof terecht beslist, dat geen geval van noodweer aanwezig was, en dat er derhalve evenmin van overschrijding van het recht van noodweer kon sprake zijn;

dat alzoo door deze beslissing art. 46 al. 2 Strafrecht niet kan zijn geschonden, en het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep in cassatie.

W. 7928.

29 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 3 Mei 1915.

Art. 41 W. v. Str.

Tegen eene aanranding door tusschenkomst van een politiehond is geen noodweer toegelaten.

H. R., is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 17 Febr. 1915, waarbij in hooger beroep werd bevestigd een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Roermond van 22 Dec. 1914, bij hetwelk de requirant is schuldig verklaard aan het opzettelijk en wederrechtelijk dooden van een dier, dat aan een ander toebehoort.

Uit de conclusie van den adv.-gen. Tak:

Edele Hoog Achtbare Heerenl Als tweede middel is gesteld: „Schending, althans verkeerde toepassing van art. 41 Strafr., in verband met de artt. 211, 221, 223 en 346 Strafv.,