Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de bepalingen der Jachtwet, hetzij op die van het Wetboek van Strafvordering, zij steeds in de rechtmatige uitoefening hunner bediening verkeerden en dus nimmer wederrechtelijk handelden onder de omstandigheden, die ik hierboven schetste.

Waar dus beide middelen mij ongegrond voorkomen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende, met betrekking tot het tweede middel:

dat de requirant blijkens de processen-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting in eersten aanleg en in hooger beroep en blijkens den inhoud van meergenoemd vonnis, te zijner verdediging heeft aangevoerd, dat zijne handeling was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen eene oogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, daar hij door de politiehonden werd aangevallen en gebeten;

dat de Rechtbank deze verdediging als niet op de wet gegrond heeft verworpen, o. m. wijl het loslaten van een politiehond door een politiebeambte, ten einde den vluchtenden dader van eenig strafbaar feit tot staan te brengen niet wederrechtelijk is;

dat bij het middel tegen dezen grond wordt opgekomen en tot toelichting daarvan is aangevoerd: dat de bewering dat het loslaten van politiehonden op den vluchtenden dader van eenig strafbaar feit rechtens geoorloofd zou zijn, eene petitio principii behelst, en geen steun vindt in de wet, daar veeleer moet worden aangenomen, dat het loslaten van een hond op een mensch in elk geval wederrechtelijk is en het zich te weerstellen tegen zoodanigen aanval dus zeer zeker een daad van noodweer kan opleveren;

O. hieromtrent:

dat art. 36 der Jachtwet in het algemeen aan de beambten der rijkspolitie opdraagt tegen de overtredingen dier wet te waken, terwijl art. 45 hun in het bijzonder den plicht oplegt, om de wildstrikken, waarmede iemand zich buiten openbare wegen en voetpaden in het veld bevindt, in beslag te nemen;

dat zij, om dit doel te bereiken, alle gepaste middelen mogen aanwenden en alzoo ook, indien zulks noodig is, van de diensten van onder hunne bevelen staande en als hunne werktuigen handelende politiehonden gebruik mogen maken;

dat derhalve de Rechtbank blijkens den inhoud van bovengemelde bewijsmiddelen als bewezen aannemende, dat in het onderwerpelijk geval het loslaten der politiehonden geschiedde ten einde den requirant, die op heeterdaad bij het stellen van wildstrikken was betrapt, op de vlucht was gegaan en aan het bevel om stil te staan niet had voldaan, tot staan te brengen en vervolgens te onderzoeken of bij nog meer wildstrikken bij zich droeg, hieruit mocht afleiden, dat de voormelde rijks-