Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het taaleigen aangewezen beteekenis aan „wettelijk voorschrift" te hechten lang voordat het Wetboek van Strafrecht was vastgesteld;

dat dit onder andere blijkt uit de door de regeering gegeven — zonder eenige tegenspraak gebleven — toelichting op -art. 1 der wet van 12 Juli 1855 (Stbl. no. 102), gewijzigd bij de Invoeringswet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64);

dat bij dit artikel wordt bepaald, dat de waterschapsbesturen straf kunnen stellen op overtreding hunner in dat artikel bedoelde keuren, voor zooveel daarbij niet door eene wet of eene wettelijke verordening is voorzien en de memorie van toelichting aantoont, dat het hier onder wettelijke verordening zoowel de Algemeene maatregelen van bestuur als de provinciale en plaatselijke verordeningen zijn begrepen;

dat ook de uitdrukking „wettelijk voorschrift" in deze ruime beteekenis door den wetgever is opgevat ten duidelijkste blijkt uit art. 406 B. R., zooals dit art. is gewijzigd bij de wet van 26 Juni 1876 (Stbl. no. 124);

dat toch aldaar is bepaald, dat de dagvaarding de middelen van cassatie moet bevatten van de op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen of van de wettel ij ke voorschriften, die de eischer beweert te zijn verzuimd, geschonden of verkeerdelijk toegepast;

dat immers hier de uitdrukking „wettelijk voorschrift" zoo algemeen mogelijk beteekent: voorschriften in de wet zelve gegeven en voorschriften afkomstig van de machten aan welke wetgevend vermogen is toegekend;

dat ook bij het tot stand komen van onze codificatie van het strafrecht, deze ruime beteekenis van de uitdrukking „wettelijk voorschrift" steeds gegolden heeft, wat door de geschiedenis dier codificatie wordt bewezen, zooals hieronder bij de bespreking van enkele artikelen, waarin de uitdrukking „wettelijk voorschrift" genoemd wordt, blijken zal;

dat het zeer de aandacht verdient, dat in het oorspronkelijk ontwerp der Staatscommissie in het derde boek een aantal artikelen gevonden werd, waarin de uitdrukking wettel ij k voorschrift voorkomt, om daarmede ook provinciale en plaatselijke verordeningen, die haar oorsprong niet hebben in een gebiedend voorschrift der wet, aan te duiden;

dat deze beteekenis van „wettelijk voorschrift" in die artikelen bedoeld, al mogen zij geen plaats gevonden hebben in het Wetboek, om redenen die hier onbesproken kunnen blijven, haar volle gewicht behouden heeft, waar het de verklaring der uitdrukking „wettelijk voorschrift" betreft» nu de regeering de toelichting van die Staatscommissie op art. 42 Strafrecht overgenomen en zich dus aangesloten heeft aan de beteekenis, die „wettelijk voorschrift" in het ontwerp der Staatscommissie had;