Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat nu als zoodanig onder andere kan gewezen worden op de artt. 502, 503, 504, 509 van dat ontwerp en in hefliijzonder op art. 499; dat toch in de toelichting van de artt. 503 en 504 bepaaldeüjk verwezen wordt naar gemeente-verordeningen, ter facultatieve uitvoering van art. 2 der wet van 9 Juli 1855 (Stbl. no. 68) en bij de toelichting op art. 499 gelezen wordt: „hij, die na eene krachtens wettelijk voorschrift gedane aanzegging van het bevoegd plaatselijk gezag, niet binnen den bepaalden tijd bouwvallige gebouwen of gedeelten daarvan... afbreekt of herstelt wordt gestraft" enz.; terwijl het geen betoog behoeft, dat hier een onderwerp besproken wordt, waarvan de nadere regeling geheel is overgelaten aan den gemeente-wetgever;

O. voorts, dat de ruime zin door den wetgever gehecht aan de uitdrukking „wettelijk voorschrift", reeds blijkt uit art. 1 Strafrecht;

dat toch hierbij uitdrukking gegeven wordt aan het beginsel van strafrecht „geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling", terwijl zeker hier ook die strafbepalingen bedoeld zijn, welke zijn vastgesteld door de Staatsmachten aan wie elk op haar gebied wetgevende bevoegdheid is toegekend;

dat verder uit niets blijkt, dat de wetgever van de beteekenis van het woord „wettelijk" hier kennelijk bedoeld, bij art. 184 Strafrecht zoude zijn afgeweken;

dat de bedoeling toch van dit artikel is straf te stellen op stoornis in de Staatsorde veroorzaakt door ongehoorzaamheid aan de gestelde openbare machten;

dat deze bedoeling bij het artikel haar uitdrukking vindt door onder meer strafbaar te stellen hem, die eenige handeling door een ambtenaar ondernomen ter uitvoering van eenig wetteüjk voorschrift belemmert;

dat nu de bedoeling van den wetgever hoogst gebrekkig zou worden bereikt, indien alleen bescherming werd verleend aan de handelingen van ambtenaren, uitvoering gevende aan een voorschrift der rijkswet of aan een voorschrift naar aanleiding van een gebiedende bepaling van deze door een andere macht met wetgevend vermogen gegeven;

dat door een zoo beperkte opvatting van „w ettelijk voorschrift" als namens den req. werd voorgedragen ook verijdeld zou worden het kennelijk streven van den wetgever om door art. 184 eenheid te brengen in de bestraffing van belemmering van ambtelijke verrichtingen en het niet voldoen aan ambtelijke bevelen en te voorkomen dat bijzondere bepalingen naast de wet zouden ontstaan, terwijl wanneer de provinciale en gemeente politie door art. 184 onbeschermd blijft bij de uitvoering van verordeningen, èn provincie èn gemeente wel genoodzaakt zouden zijn deze leemte door bijzondere bepalingen aan te vullen, tenzij een bijzondere wet dit deed;

dat overigens bij de toelichting van art. 184, al wordt daarbij verwezen naar de wet van 21 Aug. 1853 (Stbl. no. 83), die eene bevoegdheid,