Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of een ander wettelijk voorschrift", daar het toch ten eenenmale onaannemelijk is, dat alleen die handelingen als wettig bedoeld zouden zijn, die in overeenstemming met een Rijkswet of eene verordening krachtens haar gebod als het ware een geheel met haar uitmakende, verricht worden, waartoe de beperkte beteekenis van wettel ij kvoorschriftin het middel voorgedragen zoude leiden;

dat zoodanige beteekenis van wettelijk voorschrift ook gewraakt wordt door de geschiedenis van art. 207 Strafrecht; dat toch in het ontwerp van de Staatscommissie (art. 235) gelezen werd: „hij die in de gevallen waarin de wet eene verklaring onder eede vordert.. opzettelijk een valsche verklaring onder eede aflegt wordt gestraft"

dat door den Raad van State de opmerking gemaakt werd, dat deze uitdrukking te beperkt was met deze bedenking: „behalve de wet kunnen ook wettelijke verordeningen eenen eed voorschrijven bij voorbeeld provinciale en gemeente-verordeningen; het schijnt althans noodig in dit artikel niet alleen van wet maar tevens van wettelijke verordeningen te gewagen";

dat blijkens het antwoord van de regeering in haar rapport aan den Koning in het artikel wijziging is gebracht en aan de bedoeling der opmerking van den Raad van State is tegemoet gekomen door in de plaats van „in de gevallen waarin de wet" te schrijven de woorden: „in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift" enz.;

dat die beperkte beteekenis van wettelijk voorschrift al evenmin te rijmen is met wat in de memorie van toelichting op de artt. 28,125 tot 129, waar sprake is van „krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen", gezegd wordt;

dat toch bij art. 28 werd aangeteekend: men heeft — hier en bi) de

artt. 125 129 — op het oog alle pubüekrechtelijke verkiezingen,

alle verkiezingen in openbare „aangelegenheden" („öffentlichen Angelegenheiten"), zooals het Duitsche wetboek het uitdrukt;

dat bij de memorie van toehchting op art. 125 over de verkiezingen krachtens wettelijk voorschrift dan nog nader gezegd wordt: „Behalve aan verkiezingen voor de lichamen genoemd in de voorafgaande artikelen van dezen titel denke men aan die voor polderbesturen en kamers van koophandel", terwijl verkiezingen van polderbesturen uitgeschreven worden krachtens een provinciaal reglement, steunende op de Grondwet (art. 190, 2e lid 138 provinciale wet), maar noch door deze noch door eenige andere wet is voorgeschreven, en het twijfelachtig is of verkiezingen voor kamers van koophandel haar grond vinden in eenige Rijkswet; .. .

O. dat uit al het vorenstaande volgt, dat de bepalingen der politieverordening van Zwolle, waarvan hier de rede is, vastgesteld krachtens de bevoegdheid den Raad gegeveri bij art. 135 der gemeentewet zijn