Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uiteen, waar het de vraag betreft, wat tot strafbare poging van dit misdrijf vereischt wordt. Voor een goed deel is dit het gevolg van het gemis van een wettelijke ) grens tusschen daden van voorbereiding en begin van uitvoering. Ook ons strafwetboek heeft er zich niet aan gewaagd die grens aan te geven. „Een scherpe grenslijn daartusschen is — zoo toch lezen we in de Mem. v. Toel. op art. 45 — (zie Smidt I bl. 392) — in het algemeen niet te trekken, en kan dus in de wet niet worden uitgedrukt. Wettelijke voorschriften dienaangaande zouden alleen leiden tot eene casuistiek, die in de wet niet te huis behoort". Dat het aan casuistiek niet heeft ontbroken, blijkt genoegzaam, wanneer men de onderscheidene schrijvers en de jurisprudentie op dit punt raadpleegt.

Uw Raad huldigde, naar het me voorkomt, de leer dat als begin van uitvoering moet worden beschouwd iedere daad, die met het voorgenomen misdrijf in noodzakelijk en onmiddelHjï verband staat in concrete toen hif bij arrest van 12 Jan. 1891 (W. 5990), gebruik makende vanTde woorden in de Mem. v. Toelichting op art. 45 Strafrecht voorkomende, besliste, „dat onrechtmatige bedrijven, die met de volvoering van een misdrijf in noodzakelijk en onmiddellijk verband staan en alleen met dit doel zijn gepleegd, geacht moeten worden een begin van uitvoering te zijn, wanneer de dader in de voortzetting van zijn voorgenomen en ondernomen handelingen door omstandigheden van zijn wil onafhankelijk is verhinderd geworden".

Wordt door die ook mij, blijkens mijne conclusie aan dat arrest voorafgaande alleszins juist voorkomende beslissing, de door mij gestelde vraag tot ietwat eenvoudiger proporties teruggebracht, toch komt mij de beantwoording daarvan niet gemakkelijk voor en meen ik dat zoowel voor het gevoelen der Rechtbank als voor dat van het Hof goede gronden zijn aan te voeren.

Dat het voor strafbare poging tot bigamie reeds genoeg zou zijn aangifte te doen van het voorgenomen huwelijk en de bij de wet voorgeschreven afkondigingen te doen plaats hebben, zooals o. a. Halschner (das Gem. D. StrafB. II 478) leert, komt mij onaannemelijk voor, niet zoozeer omdat „door het Burgerlijk Wetboek die handelingen gequalificeerd worden als formaliteiten, welke de voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan", zooals we in het vonnis lezen, maar ómdat die

(j afkondigingen juist het middel kunnen zijn om het voorgenomen mis-

, drijf van dubbel huwelijk te beletten.

In casu echter is de nu-req. heel wat verder gegaan. Hij heeft zich niet bepaald tot de handelingen, die noodig waren om het huwelijk te kunnen doen voltrekken maar hij heeft zich ook, zooals feitelijk vaststaat, herhaaldelijk vervoegd ten bureele van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venray en aangedrongen, dat het voorgenomen huwelijk zou worden voltrokken en toen het op den daarvoor vastgestelden dag