Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daartoe opzettelijk zijnen gehuwden staat verzwijgende; dat hij door deze aangifte het verrichten der huwelijksaankondigingen heeft teweeggebracht en eenen dag voor de huwelijksvoltrekking heeft doen bepalen; dat, toen de ambtenaar van den Burgerlijken Stand te Venraij, vernomen hebbende, dat de req. al gehuwd zou zijn, hem daarover onderhield, hij dit feit heeft ontkend en is blijven ontkennen, zelfs toen de Ambtenaar hem met M. C. H. confronteerde; dat hij bij dien Ambtenaar op voltrekking van het tweede huwelijk op een lateren dag is blijven aandringen en dezen zelfs met eene aanklacht heeft gedreigd, indien bij bezwaar bleef maken, terwijl het aldus door req. voorgenomen tweede huwelijk, met het oog waarop al het vorenvermelde door hem was gedaan, niet is voltrokken alleen door de (zooals al mede uitdrukkelijk is beslist) van Zijnen wil onafhankelijke omstandigheid, dat meergenoemde ambtenaar heeft geweigerd tot de voltrekking van requirants huwelijk met de weduwe B. over te gaan alvorens een nader onderzoek zou zijn ingesteld, hetgeen tot requirants aanhouding heeft geleid;

dat het Hof ten aanzien der vraag of deze handelingen voldoen aan het vereischte voor de strafbaarheid van poging tot misdrijf, dat zij uitmaken een begin van uitvoering heeft overwogen en beslist, dat, ofschoon al hetgeen voorafgaat aan de bij art. 135 B. W. omschreven verklaringen der partijen ten overstaan van den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand, voor wien zij tot voltrekking van hun huwelijk verschijnen en de daarop volgende verklaring van dien ambtenaar in naam der wet slechts zijn handelingen, die bet aangaan van een huwelijk mogelijk maken en dus niet tot het wezen daarvan behooren, desniettemin de req. heeft ondernomen het door art. 45 Strafrecht bedoelde begin van uitvoering, omdat zijne handelingen ingevolge het bij de artt. 41, 105 en volgende B. W. bepaalde, in een noodzakelijk en onmiddellijk verband met het door hem beraamde misdrijf staan, zulks omdat voor het aangaan van zijn tweede huwelijk het naar luid van die artikelen, een noodzakelijk vereischte was dat daarvan eene aangifte en afkondigingen geschiedden; dat een en ander zonder stuiting plaats had en dat de Ambtenaar het huwelijk wilde voltrekken;

dat tegen deze beslissing het cassatiemiddel is gericht en daarbij betoogd wordt, dat de bewezen verklaarde feiten slechts zijn voorbereidende handelingen tot het aangaan van een huwelijk, dus ook van zoodanig als waarvan het a a n g a a n bij art. 237 n°. 1 Strafrecht strafbaar is gesteld; zoodat hier geen strafbare poging daartoe aanwezig kan zijn;

O. dienaangaande, dat feitelijk vaststaat dat, na de tweede afkondiging van requirants voorgenomen huwelijk met de weduwe B., geene verschijning van hen beiden, als bedoeld bij art. 135 B. W., voor den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand heeft plaats gehad; dat hierdoor vaststaat, dat de req. op het oogenblik waarop bij, onafhankelijk van zijnen wil, in de volvoering van zijn misdadig opzet is verhinderd, het