Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog volkomen in zijne macht had eiken beslissenden stap tot volvoering daarvan achterwege te laten, dewijl naar luid van art. 133 B. W. de persoonlijke verschijning der huwenden — afgescheiden van het hier hoegenaamd niet aanwezig gebleken geval, bedoeld bij art. 134 — voor den Ambtenaar onmisbaar is tot het voltrekken van een huwelijk;

dat in dezen stand van zaken het door art. 45 Strafrecht gevorderde begin van uitvoering van het strafbaar dubbel huwelijk niet is ingetreden, al staan requirants handelingen tot zijn voornemen biertoe in een onmiddellijk en noodzakelijk verband en al zijn die met het oog op zoodanig huwelijk verricht;

dat hiertegen niet afdoet 'sHofs op zich zelf juiste en op zijne bovenvermelde aanhalingen uit het Burgerlijk Wetboek gegronde opmerking, dat een huwelijk niet kan worden aangegaan, wanneer geen huwelijksaangifte en, als gevolg van deze, afkondiging van dat huwelijk daaraan is voorafgegaan; dat immers daardoor dit een en ander nog niet wordt bestanddeel van de huwelijksvoltrekking, geregeld in de 4e afd. van den betrokken titel van het Burgerlijk Wetboek, maar uitmaakt, zooals het opschrift der 2e afd. van dien titel uitdrukkelijk zegt, formaliteiten, welke aan die voltrekking voorafgaan;

dat dit preliminair karakter van bedoelde voorschriften ook nog hierdoor uitkomt, dat een der wettelijke karaktertrekken van de huwelijksvoltrekking (bevestigd door de exceptioneele bepaling van art. 132 B. W.) is openbaarheid, terwijl de aangifte en de daarvan opgemaakte akte niet openbare handelingen zijn en dat het hoofddoel waarmede aangifte en afkondiging zijn voorgeschreven is gelegenheid te geven tot de in afd. III geregelde stuiting, welke blijkens art. 114 alsmede art. 126 aanhef en 6°., moet dienen om, indien op de wet gegrond, de voltrekking van het huwelijk niet te doen plaats hebben;

O. dat dus bij het voorgesteld middel te recht beweerd wordt, dat de bewezen feiten geen strafbare poging tot het in art. 237 sub primo omschreven of eenig ander misdrijf opleveren en het Hof ten onrechte het door den eersten rechter gegeven ontslag van rechtsvervolging heeft vernietigd;

Vernietigt het arrest, den 11 Oct. 1899 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in deze zaak gewezen;

En krachtens art. 105 R. O. rechtdoende ten principale op de ook in hooger beroep bewezen verklaarde feiten;

Bevestigt voormeld vonnis.

W. 7382.