Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien moet kunnen worden welk voornemen er was, daar anders dat voornemen zich niet door die handelingen geopenbaard zou hebben.

Mij komt het voor dat de beteekenis der woorden geene andere kan zijn dan de uitdrukking van eene voorwaarde van strafbaarheid van het voornemen, bestaande in een begin van uitvoering, terwijl het voornemen ook van elders bewezen mag worden.

Tot dusverre is ook de jurisprudentie niet anders geweest. Uit vele beslissingen noem ik 's Hoogen Raads arrest van U November 1901, Wbl. 7684, waarbij in een geval geheel gelijk aan het onderhavige strafbare poging wordt aangenomen: en als krachtig pleitende tegen de thans verdedigde opvatting vermeld ik het arrest van 12 Januari 1891 Wbl. 5990, volgens hetwelk zelfs braak, inklimming, het openen van eene deur met eenen valschen sleutel begin van uitvoering van het voornemen tot het plegen van diefstal met braak, inklimming of het gebruik van valsche sleutels kan zijn.

Het door requirants pleiter aangehaalde arrest van 13 December 1899, Wbl. 7382, Rspr. 183 § 63 is ten deze zonder beteekenis; de Hooge Raad ontzegde aan het doen van huwelijksaangifte en het vaststellen van een dag voor de huwelijksvoltrekking het karakter van poging tot bigamie niet omdat het voornemen tot het plegen van dat misdrijf er niet uit kan blijken, maar omdat de dader daarmede niets had gedaan dat hem bond, den beslissenden stap nog moest doen, en hetgeen hij gedaan had niets meer was dan eene, zij het ook noodzakelijke, voorbereiding.

Trouwens in het voor requirant gepleite stelsel zou poging tot misdrijf wel nimmer mogelijk zijn.

Men neme oplichting; hoe kan uit het aannemen van eenen valschen naam of eene valsche hoedanigheid, het aanwenden van listen of het samenweven van verdichtsels gepaard met het vragen om afgifte van eenig goed blijken, dat de dader ook werkelijk zich heeft willen doen afgeven, hij kan immers daarmede slechts eens anders lichtgeloovigheid aan den dag hebben willen brengen. Het uitsteken van de hand naar eens anders goed bewijst op zich zelf niet den wil tot wegnemen, laat staan tot wegnemen met oogmerk tot wederrechtelijke toeeigening; het brengen van vuur bij eenig brandbaar voorwerp bewijst niet het voornemen om dat voorwerp in brand te steken. Eene verwonding kan nimmer het bestaan van een voornemen tot dooden aantoonen.

Deze voorbeelden laten zich binnen de grenzen der strafwet onbeperkt vermenigvuldigen.

Er is zelfs geene handeling denkbaar die absoluut van het bestaan van een bepaald voornemen blijk geeft; het aannemen der noodzakelijkheid van zoodanige handeling is feitelijk schrappen van art. 45 uit de wet.

Onze wetgever heeft blijkbaar ook geene aanleiding gegeven tot zulk eene strenge opvatting. Bij de Memorie van toelichting worden als