Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voering heeft geopenbaard, en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden, van zijn wil onafhankelijk niet is voltooid; dat poging — en wel strafbare poging — alzoo reeds aanwezig is, zoodra aan het opgevatte voornemen een begin van uitvoering is gegeven, en het niet noodig is, dat aan het m i s d r ij f zelf reeds een begin van uitvoering zij gegeven; dat als deze opvatting juist is, er van eene onderscheiding tusschen poging met deugdelijke en ondeugdelijke middelen geen sprake kan zijn, en zeer zeker eene poging tot moord met een slechts relatief ondeugdelijk middel, als het toedienen van vergif in te geringe hoeveelheid om een bepaald persoon van het leven te berooven een strafbare poging daarstelt;

O. dat deze laatste bewering in 's Hofs beschikking niet wordt betwist, maar integendeel hare juistheid stilzwijgend wordt erkend, waar de buiten vervolging stelling der beklaagde in facto alleen berust op de beslissing, dat „aangenomen het bestaan van het gevorderde opzet, beklaagde heeft gebezigd een absoluut ondeugdelijk middel, zoowel voor de poging tot moord als (voor die) tot mishandeling";

dat, nu deze beslissing berustende, gelijk hierboven reeds is vermeld, op zuiver technische en feitelijke gronden van de door het Hof overgenomen adviezen der deskundigen, als van feitelijken aard in cassatie vaststaat, de gegrondheid van het middel alleen afhankelijk is van de beantwoording der rechtsvraag, of volgens onze wet sprake kan zijn van eene strafbare poging tot misdrijf, indien de dader ter volvoering van zijn voornemen om een bepaald misdrijf te plegen alléén heeft aangewend een middel, dat daartoe in geen geval en tegenover wien dan ook kan leiden, een middel alzoo volstrekt ondeugdelijk ter voltooiing van het misdrijf, waarop zijn opzet gericht was;

O. daaromtrent:

dat eene onbevangen lezing van art. 45 Strafr. geenzins dwingt tot het besluit, dat de daarin voorkomende woorden „begin van uitvoering" niet wijzen op een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, maar op een begin van uitvoering van des daders misdadig voornemen, in dien zin, dat daaronder zou zijn begrepen elke daad, ter uitvoering van dat voornemen verricht, ook al kan zij in geen geval leiden tot de voltooiing van het misdrijf;

dat integendeel waar het artikel aanvangt met de woorden „poging tot misdrijf", het veeleer aannemelijk is, dat de, op die woorden in denzelfden volzin, volgende woorden „begin van uitvoering" in des wetgevers gedachtengang betrekking hebben op het misdrijf, waarvan in den aanvang sprake was, gelijk het onbetwistbaar is, dat waar verder, altijd in denzelfden volzin, volgt het woord „uitvoering", daarbij aan niets anders gedacht kan worden dan aan de uitvoering van het misdrijf;

dat, afgescheiden daarvan, de geheele onderscheiding tusschen begin van uitvoering van het misdrijf en begin van uitvoering van het voor-