Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opend en bij het verlaten van dezen dienst de sleuteltjes heeft behouden;

dat de Rechtbank hieruit reeds kon afleiden, dat de beklaagde in staat was het kistje te openen, afgezien nog hiervan, dat daarvoor ook andere middelen bestaan dan een voor het openen bestemd sleuteltje;

dat het middel in al zijn onderdeelen derhalve is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

N. J. 1920, blz. 807.

37 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 11 Februari 1924.

Art. 45 W. v. Str.

Het wettelijk vereischte bij de poging dat het misdrijf alleen niet is voltooid als gevolg van omstandigheden van den wil van den dader onafhankelijk, heeft alleen de strekking de strafbaarheid uit te sluiten indien een vrijwillig terugtreden van den dader tot de niet-voltooiing heeft medegewerkt.

J. J. B., is requirant van cassatie tegen een te zijnen laste gewezen arrest van bet Gerechtshof te 's-Gravenhage, van den 28en Nov. 1923, waarbij in hooger beroep is bevestigd een vonnis door de Arrond.-Rechtbank te 's-Gravenhage, op 20 Sept. 1923 gewezen, bij hetwelk requirant ter zake van poging tot zware mishandeling, met toepassing van de artt. 27, 45 en 302 Strafr., is veroordeeld.

De Hooge Raad, enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij memorie en toegelicht bij pleidooi: 4. Schending, immers verkeerde toepassing der artt. 1,143,211,216,239,246, 247 Strafv. in verband met artt. 1, 45 en 302 Strafr. doordat in het vonnis niets voorkomt, waaruit kan blijken, dat (het) voltooien niet plaats had alleen ten gevolge van een van beklaagdes wil onafhankelijke omstandigheid.

Overwegende, dat, van het den requirant bij dagvaarding primair ten laste gelegde, bij het bevestigde vonnis wettig en overtuigend is bewezen verklaard, met requirants schuld daaraan — met qualificatie en strafoplegging als voormeld — dat requirant op 21 Mei 1923, te Noordwijkerhout, na het voornemen te hebben opgevat om H. J. E. opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft gepoogd dat voornemen ten uitvoer te leggen (hetgeen de Rechtbank leest als: „heeft