Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepoogd dat misdrijf te plegen"), waarbij zijn voornemen zich heeft geopenbaard doordat hij uit een geweer, hetwelk hij opzettelijk daartoe uit Zijn woning had gehaald, een met een zeer krachtige kogelpatroon van caliber 16 centraal, bevattende 2 gram rookzwak buskruit, vetprop en 30 gram hagel No. 6 van 2% m.M. dikte, had geladen, staande op ongeveer 25 Meter afstand van voormelden E. een schot op dezen heeft gelost en de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid alleen ten gevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid, dat hij dien E. niet heeft getroffen;

O. betreffende het vierde cassatiemiddel, dat, waar de Rechtbank als bewezen aannam zoowel dat requirant onder voorschreven omstandigheden op E. heeft geschoten als dat hij dien E. niet beeft getroffen, de Rechtbank ook heeft kunnen beslissen, dat het alleen aan die laatste, van requirants wil onafhankelijke omstandigheid is te wijten, dat requirant in zijn poging niet is geslaagd; dat immers, blijkens de geschiedenis, dit wettelijk vereischte der strafbare poging geen andere strekking heeft dan om de strafbaarheid van den dader uit te sluiten, indien een vrijwillig terugtreden zijnerzijds tot de niet-voltooiing van het misdrijf heeft medegewerkt; dat dus ook dit middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

W. 11176.

38 HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Zitting van 27 Juni 1898.

Art. 47 W. v. Str.

De uitdrukking „doen plegen" in art. 47, 1° Strafrecht omvat niet het bewegen tot een strafbaar feit van een persoon, die strafrechtelijk daarvoor verantwoordelijk is.

H. L. S. is requirant van cassatie tegen een vonnis van de Arrond. Rechtbank te Amsterdam van den 4 Maart 1898, waarbij, op het door den requirant ingesteld hooger beroep, met aanvulling der motieven, behalve wat de qualificatie en de opgelegde straf betreft, is bevestigd en voor wat betreft deze beide is vernietigd het vonnis van den Kantonrechter in het 4e kanton van het arrondissement Amsterdam van 5 Aug. 1897, op tegenspraak gewezen, bij hetwelk de req., met toepassing der artt. 87,211, 253 Strafvord., 1,5,9 en 15 der wet van 17 Aug. 1878 (Stbl. no. 127), gewijzigd bij de wetten