Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hoedanig de door gerequireerde gebezigde werklieden niet kunnen worden aangemerkt en op dien grond heeft beslist zooals in het hoofd van dit arrest is vermeld;

O. dat tegen deze beslissing het middel van cassatie is gericht, en dit blijkens de in de memorie gegeven toelichting hierop is gegrond, dat art. 1 der bedoelde Verordening uitsluitend „den eigenaar" of „gebruiker" der terpen verbiedt deze ,fif te graven" of te „doen afgraven", dieper dan 55 c.M. boven Friesch zomerpeil, zonder vergunning van B. en W. — dat derhalve overtreding dezer bepaling alleen kan geschieden door den ,^igenaar" of „gebruiker" der terp en deze als dader moet worden aangemerkt, hetzij van de overtreding „het afgraven" hetzij van de overtreding ,Jhet doen afgraven" en dus voor een onderzoek of de werklieden, die feitelijk de afgraving bewerkstelligden al of niet waren „manus ministrae" — dat alléén dan reden van bestaan heeft indien deze tusschenpeisonen onder zekere omstandigheden ooit zelf strafbaar zouden zijn — hier geen plaats is, nu die strafbaarheid voor hen hier is uitgesloten omdat daarvoor noodig is de hoedanigheid van „eigenaar" of „gebruiker" der terp;

O. dat art. 1 der bovenaangehaalde Verordening verbodsbepalingen bevat die alléén door de eigenaars of gebruikers der terpen in acht kunnen worden genomen en alzoo het feit, dat om in strijd met die bepalingen een terp te kunnen afgraven of doen afgraven men moet zijn eigenaar of gebruiker der terp, een bestanddeel is van de overtreding dezer bepalingen die in art. 7 der Verordening met straf is bedreigd;

dat dus een onderzoek der Rechtbank of zij, die zooals de Rechtbank aannam op last van gerequireerde de terp hebben afgegraven, al of niet als daders aangemerkt moesten worden voor die afgraving, die in strijd met art. 1 der desbetreffende Verordening door hen zou zijn gedaan alleen dan te pas kwam indien gebleken was dat zij het persoonlijk vereischte bezaten van te zijn „eigenaar" of „gebruiker" der terp, daar toch krachtens art. 47 Strafr. hij die door een ander een strafbaar feit doet plegen, de voor dit feit verantwoordelijke dader is, indien de tusschenpersoon een persoonlijk vereischte mist om zelf als dader voor het door hem gepleegde aansprakelijk te worden gesteld, zelfs al weet deze laatste dat hij, op wiens last hij handelt, hem iets doet plegen, wat dien lastgever Zeiven verboden is;

dat waar de Rechtbank blijkens het bestreden vonnis als bewezen aannam dat de requirant eigenaar was van de terp die werd afgegraven en dat deze afgraving op zijn last door de getuigen P. en van der K. geschiedde, zij — alvorens te kunnen beslissen gelijk zij deed — had behooren te onderzoeken of deze twee personen het persoonlijk vereischte bezaten van te zijn „gebruiker" der terp, daar alléén indien dit het geval bleek te zijn, zij als daders voor de door hen bewerkstelligde afgraving strafrechtelijk verantwoordelijk zouden zijn en de Rechtbank