Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Schending of verkeerde toepassing der wet, speciaal art. 1649 B. W.;"

O. dat bij het bestreden vonnis van het den requiranten bij de inleidende dagvaarding telastegelegde is bewezen verklaard,dat ZÜ op2 November 1927 des voormiddags 1 uur ieder voor zich, bij het inbrengen in een perceel van een ijzeren bint, op den openbaren weg, de Hobbemastraat te den Haag, onvoldoende en niet tijdig de noodige maatregelen hebben genomen om'voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen, hebbende requiranten immers geen waarschuwingsverlichting aangebracht en te laat door schreeuwen een teeken gegeven, waardoor een auto tegen die bint is aangereden;

O. dat het namens requiranten gevoerde verweer, als zouden zij deswege niet aansprakelijk zijn, daar de aansprakelijkheid rustte op den aannemer van het werk, in wiens dienst zij waren, vervolgens door den Kantonrechter is terzijde gesteld op grond dat art. 427, 3° Sr. strafbaar stelt hem, die bij eene verrichting op of aan den openbaren weg niet de noodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen, tot het nemen van welke maatregelen in het onderwerpelijke geval de verdachten verplicht waren, — waarna het bewezen verklaarde is gequalificeerd en de requiranten tot straf zijn veroordeeld, gelijk hiervoren is vermeld;

O. dat de requiranten ter ondersteuning van het tegen deze beslissing gerichte middel er zich andermaal op hebben beroepen, dat zij bij den aannemer van het werk H. C. Berks te 's-Gravenhage in dienstbetrekking waren; dat deze, en niet zij, ingevolge art.1649B.W. voor de te laste gelegde feiten aansprakelijk was en de Kantonrechter derhalve, in stede van hen te veroordeelen, naar de bedoelde dienstverhouding een onderzoek had behooren in te stellen;

O. dienaangaande:

dat in den regel hij, die een strafbaar feit pleegt, deswege strafrechtelijk verantwoordelijk is en die verantwoordelijkheid in het algemeen niet wordt opgeheven door de enkele omstandigheid, dat de dader in dienst van een ander handelt;

dat art. 1649 B. W., — bij welk voorschrift slechts de burgerrechtelijke en niet de strafrechtelijke aansprakelijkheid van den aannemer voor de daden van degenen, die hij in het werk stelt, wordt geregeld, — op dezen regel geen uitzondering maakt;

dat het middel alzoo is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

Ned. Jur. 1928, blz. 818.