Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting, op de stelling dat ingevolge het genoemd Souverein Besluit de echte reispas slechts kon worden opgemaakt door den Minister van Buitènlandsche Zaken, of, bij delegatie, door den Commissaris der Koningin, zoodat ook alleen door die autoriteiten een reispas waarin een intellectueele valschheid is opgenomen, kan worden opgemaakt. Vermits requirant nu die hoedanigheid niet bezat, zoude hij dit feit ook niet kunnen plegen. Immers middeUijk daderschap is naar onze wet een vorm van daderschap, zoodat men, om dader te zijn, door „doen plegen" ten aanzien van de hoedanigheden aan dezelfde vereischten moet voldoen als hij die dader is door „plegen".

Ik stel op den voorgrond dat het middel in dit deel alleen loopt over de vraag of bedoelde eisch in het algemeen aan het zijn van middellijken dader van een strafbaar feit is te stellen, niet of in casu andere gronden aanwezig zijn om het aangenomen middeUijk daderschap voor den requirant uit te sluiten. Over dit laatste spreek ik bij de behandeling van het tweede onderdeel van dit middel.

Naar mijn oordeel nu vindt requirants stelling geen steun in de wet. Waar in art. 47 sub 1 Strafr. wordt bepaald dat als dader van een strafbaar feit wordt gestraft hij die het feit doet plegen, wordt met zoodanige dader volgens de Memorie van Toelichting, aangeduid hij die door tusschenkomst van een ander, als werktuig in zijne hand, het strafbaar feit pleegt, indien die andere wegens de onwetendheid waarin hij verkeert, de dwaling waarin hij is gebracht of het geweld waarvoor hij gezwicht is, handelt zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid.

Diegene die derhalve door zoodanigen tusschenpersoon het strafbare feit tot stand doet komen doet het plegen en wordt gestraft ah dader van het feit. En nu is m.i. noch in de bepaling te lezen, noch uit eenige andere bepaling, meer in het bijzonder niet uit die van art. 47 sub 2 af te leiden, dat degene die door zoodanigen tusschenpersoon handelt, de hoedanigheid zoude moeten bezitten vereischt om zelf het feit te plegen. In de Memorie van Toelichting wordt wel het doen plegen in verband beschouwd met het ontbreken van opzet, schuld of toerekenbaarheid aan de zijde van den tusschenpersoon en deze vereischten moeten zeker, om te kunnen doen plegen, bij den middellijken dader aanwezig zijn,—maar dat ook de andere voor het zijn van materieelen dader noodzakelijke vereischten ook bij den middellijken dader moeten worden gevonden is niet in de toelichting gezegd en ligt ook niet in het begrip „doen plegen", d.i. op de gezegde wijze tot stand doen komen van het strafbaar feit. En bij deze opvatting komt men m. i. niet in botsing met de beteekenis van art. 47 sub 2, vermits daarbij de rede is van een uitgelokten materieelen dader die met het vereischte opzet, de schuld of toerekenbaarheid handelt, een vorm van daderschap die geen betrekking heeft op een geval als waarvan hier de rede is.

De in het middel gehuldigde leer schept bovendien dezen voor het