Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtsgevoel onbevredigenden en, naar ik meen, juist blijkens de ruime uitdrukking „doen plegen", door den wetgever niet gewilden toestand, dat in vele gevallen, wegens het ontbreken van het opzet bij den mate-, rieelen dader en ten gevolge van een subjectief, bij dezen wel, doch bij den middellijken dader met aanwezig vereischte, niemand als dader zou strafbaar zijn, terwijl toch het door de wet verboden gevolg zoude zijn ingetreden.

Het is den Raad echter bekend dat de gevoelens over deze vraag, zeer uiteenloopen. Ik veroorloof mij te dien aanzien te verwijzen naar de „Inleiding" van Prof. G. A. van Hamel, 2e dr. bl. 429 en 430 en het „Leerboek v/h Ned. Strafrecht" van Prof. D. Simons, 2e dr. le deel, bl. 216 en noot 3, alsmede naar de in die werken in de noot aangehaalde litteratuur. De Raad vergel. ook het opstel van Mr. L. Ch. Besier, in het Tijdschrift v. Strafr. XXIV, 2 'Ml., bl. 119 vlgg.

Ik acht dus het middel in dit onderdeel ongegrond.

Een andere vraag is — en daarmede kom ik tot het tweede onderdeel (dat sub b), of de door requirant gepleegde feiten vallen onder het bereik van art. 231.

In dat artikel vindt men de omschrijving van twee verschillende misdrijven; het eene betreft de eigenlijke valschheid of vervalsching van een reispas enz., het andere, het doen afgeven van een reispas enz. op een valschen naam of voornaam of met aanwijzing van eene valsche hoedanigheid.

Hieruit moet worden afgeleid dat de daad die valt onder het bereik van het eerste gedeelte van dit artikel, niet tevens strafbaar is gesteld bij het tweede. Dat het artikel een zelfde handeling tweemaal onder een strafbepaling zoude doen vallen, mag toch bij de uitlegging als onaannemelijk worden vooropgesteld.

Wanneer men nu in aanmerking neemt dat degenen die een reispas op een valschen naam of voornaam of met aanwijzing van eene valsche hoedanigheid doet afgeven, dit alleen bewerkstelligen kan door het verstrekken van de daarop betrekkelijke valsche opgave, ten gevolge waarvan de reispas, indien bij in overeenstemming met die opgave wordt opgemaakt, eene intellectueele valschheid inhoudt, dan volgt daaruit: 1°. dat het opgeven van een valschen naam enz. — d.i. in casu de handeling die te weeg zou brengen het middellijk daderschap van het val schelijk opmaken van den reispas — is de maatregel die genomen wordt en noodig is om den reispas op den valschen naam enz. te doen afgeven, en 2°. dat die daad deel uitmaakt van, behoort tot de handelingen waardoor het doen afgeven van zoodanigen reispas rechtstreeks wordt veroorzaakt.

Maar dan is die daad constitutief van het laatstbedoelde misdrijf en kan als zijnde dit misdrijf bij eene bijzondere bepaling als zoodanig strafbaar gesteld, niet tegelijkertijd in de daaraan voorafgaande strafbepaling zijn begrepen.