Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze enge opvatting van art. 154 C. P. is geheel in overeenstemming met de wordingsgeschiedenis, gelijk blijkt uit het te dien aanzien verhandelde in den Conseil d'Etat (Loiré XV, bl. 190). En de Fransche jurisprudentie is ook in dien zin. Meer in het bijzonder is ook beslist dat de valsche opgave van den leeftijd gedaan in een reispas en het gebruik daarvan tegenover de overheid gemaakt, geen strafbaar feit is vallende onder het bereik der strafwet. (Dalloz 55, 2, 27). De Raad vergel. Garraud. Droit Pénal Francais III, nos. 1104—1110; Chauveau et Hélie, (Ed. Nypels) Théorie du Code Pénal I, nos. 1678 vlgg.

Op deze gronden meen ik dat het ten laste van requirant bewezen verklaarde feit — vermits hier niet de rede is van een op valschen naam of voornaam of met aanwijzing van een valsche hoedanigheid opgemaakten reispas, hetwelk gelijk ik reeds trachtte aan te toonen, m.i. niet valt onder het bereik van het eerste gedeelte van het artikel, ook niet wordt getroffen door de in het tweede gedeelte voorkomende strafbepaling — waaruit volgt dat het middel m. i. is gegrond.

Dit is echter, naar het mij voorkomt, niet het geval met het derde onderdeel (dat sub c) van dit middel, hetwelk zal moeten worden beoordeeld van het standpunt waarop het Hof zich heeft geplaatst, dat n.1. in den pas door de autoriteit die hem opmaakte krachtens de bestaande voorschriften, te goeder trouw als willoos werktuig van den requirant de meergenoemde valsche opgave is opgenomen en waardoor zich dus een geval van intellectueele valschheid voordeed. Want de opgave omtrent den leeftijd, welke gelijk het Hof feiteüjk vaststelde, een integreerend deel van den pas uitmaakte, strekte om de identiteit van den houder te verzekeren zoodat de valsche vermelding van dit gedeelte van den inhoud, den pas in zijn wezen en bestemming onwaar maakte en derhalve de pas als valschelijk opgemaakt kon worden aangemerkt. Het middel kan dus niet opgaan.

De Hooge Raad, enz.;

Overwegende, dat bij de toelichting van het le middel op den voorgrond is gesteld, dat een reispas naar den inhoud alleen is een verzoek van de overheid hier te lande aan autoriteiten in het buitenland om aan den houder vrijen doorgang en bescherming te verieenen, en dus ook alleen kan strekken ten bewijze, dat dit verzoek inderdaad van de Nederl. overheid uitgaat;

dat het in dat stuk opgenomen signalement niet anders is dan een middel om het Buitenl. Autoriteiten mogelijk te maken door vergelijking na te gaan, of hij, die het stuk vertoont werkelijk is degene, die daarin als de drager wordt aangeduid;

dat dus — aldus het middel sub c — onwaarheid in het signalement niet oplevert strafbare valschheid;

dat voorts, zoo al moet worden aangenomen, dat dit wél het geval is,

10